Hollandse drama's

Soms is een minister verplicht een jacquet aan te trekken. In sommige beroepen krijg je je bedrijfskleding `van de zaak'.

De staat heeft voor het kabinet geen foerier. Zal de minister zelf een jacquet kopen (ƒ 3.000.-, niet het duurste) of zo'n pak voor ƒ 145.- per keer huren? Als hij zijn ambtstermijn heeft voltooid, zal hij het jacquet 12 keer hebben gedragen. Dat kost de staat ƒ250.- per keer. Is het dan niet prijzenswaardig van de minister als hij zich van tijd tot tijd bij zijn vaste kledingverhuurbedrijf meldt? `Goedemorgen excellentie! Bent u daar weer.' Dat bespaart de schatkist ƒ1.212.- Aan de andere kant: de minister verdient ƒ235.657.-, en er wordt al van alles en nog wat voor hem door de staat betaald. Hij kan ook zelf gaan shoppen, een jacquet kopen, incognito, op persoonlijke titel, bij Tip de Bruin op de Nieuwedijk, voor ƒ1.130.-, en de rekening bewaren voor de belastingen, of meteen weggooien. Het bespaart hem veel gezeur krachtens de Wet Openbaarheid van Bestuur en de aanblik van zijn declaraties met zwartgemaakte passages op de televisie.

Het is een dilemma, niet alleen voor ministers, staatssecretarissen, burgemeesters, enz. De rekenkunde, waarvan hierboven een proeve staat, is een nationale bezigheid: `onderzoek naar declaratiegedrag'. Daar zijn de afgelopen maanden afgronden van pietluttigheid geopend. Zo wordt de belangstellende staatsburger door een dilemma aangegrijnsd. Ik spreek voor mezelf. Met weerzin kijk ik naar die bonnetjes en optelsommen met toelichtingen die tot behoud van de privacy zijn doorgestreept. Wat zijn dat voor mensen die hun vulpeninkt en vier exemplaren van een tijdschrift waarin een interview met zichzelf declareren? Zijn ze nog in staat premier Kok te helpen regeren; te assisteren bij het groot beleid als hun brein zo getraind is op het zelf-niet-tekortkomen, als het om hun centjes gaat? Dat is de eerste vraag.

Zo kom ik aan het tweede dilemma. Het formaat van het `declaratiegedrag' bepaalt dat van het onderzoek. Dat is een kwestie van oorzaak en gevolg. Met mierenijver zijn we aan het werk om ook de laatste laakbare futiliteit boven water te brengen. Toen minister Peper zijn eigen `declaratiegedrag' (het blijft een treurig woord) op zijn website zette, waren binnen een uur de lijnen verstopt geraakt door de belangstelling. Bewuste politieke betrokkenheid? Ramptoerisme op Internet? We zullen het niet weten. Is het mogelijk dat er intussen staatsburgers zijn – overigens van harte bij de openbare zaak betrokken – die er niets van willen denken – of zelfs weten? Uitslagen van enquêtes zijn nog niet beschikbaar. Laten we maar hopen dat Nederland als een nog betere natie uit de zuivering zal herrijzen.

In het geheel, de declaratieknulligheid en het onderzoek, ontplooit zich een minipanorama waarmee je niets te maken zou willen hebben, maar dat niettemin tot de vaderlandse werkelijkheid van het nieuwe millennium behoort. Deze kant van de werkelijkheid is dat de politici en de bestuurders per slot van rekening niet ten behoeve van hun eigen glorie in hun functies terecht zijn gekomen – hoe bedremmeld zo'n glorie ook mag uitpakken – maar dat ze daar zitten in dienst van het land. In die kwaliteit worden ze ruimschoots bedeeld met de parafernalia van hun ambt. Vinden ze het niet voldoende, dan kunnen ze dat het parlement laten weten of hogere of beter betaalde eer en werk zoeken. Het klinkt streng en ouderwets, maar zo is het.

Maar, zal men zeggen, tegenover de enkelen die zich in een auto van een of twee maten te groot laten rijden, staan de velen die zich onkreukbaar aan de regels houden. Of ze declareren liever niets dan hun tijd te besteden aan rompslomp met bonnetjes: premier Kok, burgemeester Patijn, de ministers Apotheker en Brinkhorst. En dan het tweede argument: het `declaratiegedrag' van een minister, of welke bestuurder dan ook, zegt niets over zijn andere kwaliteiten. Waarom hem lastigvallen met zulke kleinigheden als hij in de hoofdzaken zijn werk doet zoals het hoort?

Iedere beroepsgroep wordt beoordeeld naar het gedrag van degene die zich het opvallendst gedraagt. Dat mag niet altijd in overeenstemming zijn met de rechtvaardigheid; het is de werkelijkheid. Als premier Kok president Clinton de geheimen van het poldermodel verklaart, is dat goed voor `de' Nederlandse politiek. Als een staatssecretaris à raison van ƒ36.- een doosje inktpatronen bij de staat in rekening brengt, is tot nader order de glans van het poldermodel vergeten. `De' politiek in haar geheel wordt dan beoordeeld op een gehuurd jacquet, vulpeninkt en een te grote auto. `De' politiek krijgt op slag een armzalig voorkomen.

Het effect van dit soort incidenten werkt cumulatief. `De' politiek klaagt over vervreemding en gebrek aan belangstelling. Experts op het gebied van public relations en reclame bedenken middelen om `de burger weer bij de politiek te betrekken.' Op het ogenblik wordt nagedacht over garanties, opdat de politieke partijen niet via grote schenkingen door het bedrijfsleven zullen worden belast. Is er een groot schandaal in ontwikkeling of voltooid, en slaagt de Tweede Kamer er niet in het raadsel op te lossen, dan komt er een enquête of een commissie van wijze mannen. Omkoperijen waarbij ministers zijn betrokken hebben we in Nederland nog niet gehad. Het gaat om deze mini-operaties in het schemergebied van de declaratie-ethiek. Het sop is de kool niet waard, maar een paar maal een halve faux pas is de volgende voltreffer in het aanzien van `de' politiek. Daarover kan `de' politiek zich niet beklagen. Zo werkt de publiciteit.

Premier Kok heeft gelijk. Er valt niet te besturen als het kabinet verplicht wordt iedere avond alles op de website op te biechten. Daarmee wordt het kabinet de prooi van de openbare mening. Dat is nu een paar bewindslieden overkomen. Pietluttigheden. Toch hebben ze het er zelf naar gemaakt.