Hartzeer

Het Groene Hart blijft in hoog tempo dichtslibben en het streven van de rijksoverheid om het in zijn oude vertrouwde vorm te bewaren, lijkt steeds meer een illusie. De open ruimte slinkt zienderogen. Het wachten is op de daden van minister Jan Pronk die deze zomer in de Vijfde nota voor de ruimtelijke moet zien de resterende brokstukken van het Groene Hart te redden.

Het weidse polderland tussen Zoetermeer en Waddinxveen staat aan de vooravond van een historische gedaanteverwisseling. ,,Hier komt het Bentwoud'', zegt Joop Eilander van de Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van LNV. Hij wijst op enige uitgestrekte vruchtbare akkers met prille spruiten en kolen. Een grote elektriciteitsmast prijkt er midden in. ,,Hier zullen de mensen uit de Randstad in de toekomst komen om zich in het bos te ontspannen.''

Een bos in het Groene Hart? Blijft het Groene Hart, vanouds zo befaamd om zijn open karakter, dan niets bespaard? Eilander legt uit dat de overheid hiermee de almaar oprukkende bebouwing in het Groene Hart een halt toe wil roepen. Dat daarbij en passant de ene vorm groen wordt ingeruild voor de andere, neemt het rijk op de koop toe. De eerste bomen van het Bentwoud, dat over ruim tien jaar een terrein van zeven bij drie kilometer moet beslaan, zijn inmiddels geplant.

Niet iedereen is echter even geestdriftig over deze `nieuwe natuur'. ,,Veel mensen zijn verknocht aan het open landschap en zeggen: hier hoort geen bos'', erkent Eilander. ,,De boeren zeggen bovendien dat we gek zijn om de mooiste landbouwgrond van Nederland op te offeren voor een bos.''

Of het nu om nieuw bos, nieuwe huizen, nieuwe (spoor)wegen, nieuwe kassen of nieuwe kantoren gaat, de oude openheid van het Groene Hart staat aan alle kanten onder zware druk. Het gebied blijft in hoog tempo dichtslibben en het streven van de rijksoverheid om het in zijn oude vertrouwde vorm te bewaren, lijkt steeds meer een illusie.

Een rondgang langs bestuurders en andere betrokkenen leert dat eigenlijk niemand meer gelooft dat deze doelstelling nog valt te verwezenlijken. Zelfs de milieubeweging erkent dat er inmiddels al zoveel is veranderd en zal blijven veranderen dat dit eigenlijk niet haalbaar meer is.

De tijd is kortom aangebroken voor een Groene Hart-nieuwe stijl, maar hoe dat er uit moet zien is omstreden. De grote steden vinden dat zowel de woningbouw als de economische activiteiten bij hen moeten worden geconcentreerd, terwijl het Groene Hart bij voorkeur een soort groen reservaat moet worden, waar de bewoners van de grote steden in het weekeinde aangenaam kunnen verpozen.

Geen sprake van, roepen de kleinere gemeenten in het Groene Hart, die de laatste jaren zowel in inwoner- als bedrijvental razendsnel zijn gegroeid. Zij nemen geen genoegen met een bijrol op economisch terrein. De zorg van de milieubeweging is intussen vooral om voldoende groen veilig te stellen.

Een blik op kaarten van toen en nu wijst uit dat de veranderingen in het Groene Hart zich de afgelopen decennia in een razend tempo hebben voltrokken. De luchtvaartpionier Albert Plesman kon zijn passagiers tijdens vliegreizen voor de Tweede Wereldoorlog boven westelijk Nederland nog wijzen op een stedenring met een scherp afgetekend agrarisch hart erbinnen. `De Randstad' noemde hij die stedenring. Het binnengebied ging het `Groene Hart' heten. Het waren twee begrippen die de discussie over de ruimtelijke ordening in dit deel van Nederland na de oorlog zouden gaan beheersen.

Inmiddels is het onderscheid tussen stad en platteland sterk vervaagd, al blijven er nog altijd fraaie stukjes open polderland en vrije natuur over. ,,Er is met die bebouwing niet zomaar sprake van een beetje lekkage in het Groene Hart'', bevestigt de Delftse hoogleraar volkshuisvesting H. Priemus. ,,Die bebouwing groeit daar juist onevenredig snel. Vooral de vrije sector gaat gewoon door, ondanks de horden die de overheid opwerpt. Alles beter dan dat maffe groen, denkt men in die kringen.''

Uit recente gegevens van het ministerie van VROM blijkt dat de groei van het aantal woonadressen in het Groene Hart, dat officieel de status van `restrictief-beleidsgebied' heeft, de laatste jaren weer versneld is. Kwamen er tussen 1990 en 1995 jaarlijks minder dan 2,5 procent nieuwe adressen bij, van 1997 op 1998 ging dat ruim twee keer zo snel.

Uit cijfers van het CBS bleek bovendien onlangs dat alleen al in de jaren tussen 1993 en 1996 een gebied in het Groene Hart ter grootte van de gemeente Gouda zijn agrarische bestemming heeft verloren. In plaats daarvan gaven de gemeenten toestemming ook hier weer bedrijven of woningen neer te zetten.

Het CBS wees Alphen aan den Rijn, een plaatsje dat in een paar decennia uitgroeide tot een stad van bijna 70.000 inwoners, aan als een van de grootste `boosdoeners'. Maar wethouder W. van der Veen Meerstadt blijkt in het geheel niet onder de indruk van de afkalving van het Groene Hart. ,,Het Groene Hart bestaat helemaal niet'', stelt hij, vanuit het gemeentehuis uitkijkend over talrijke hijskranen. ,,Er zijn misschien 20 tot 30 aparte groene hartjes, die elk beslist van grote waarde zijn. Maar er zijn ook veel gebieden in het Groene Hart die al half vol zijn gebouwd en landschappelijk niets voorstellen. Daar kun je gerust nog dingen bijbouwen.''

Strijden minister Pronk (Ruimtelijke Ordening) en de zijnen dan voor een verloren zaak? ,,Welnee'', meent de Zuid-Hollandse gedeputeerde voor de ruimtelijke ordening, Houtman. ,,Dat hoeft helemaal niet. Die cijfers van het CBS zijn misleidend. Het duurt altijd enige jaren voor de effecten van nieuwe besluitvorming voelbaar worden, omdat alles eerst in nieuwe streek- en bestemmingsplannen moet worden verwerkt. Ik geloof dat je de zaak als overheid wel degelijk op een goede manier kunt bijsturen.''

Maar ook Houtman erkent dat het zinloos is te proberen al het resterende groen in het gebied te bewaren. ,,Je moet niet overal op de rem gaan staan. Er moet ook ruimte blijven voor de economische ontwikkeling van het gebied. Op sommige plaatsen kan dat ook best. Er is indertijd één grote streep rond het Groene Hart getrokken, maar inmiddels is gebleken dat die lijn toch wat willekeurig was. We moeten nu toe naar een fijnmaziger beleid voor het gebied.''

De milieubeweging volgt de ontwikkelingen in het Groene Hart met grote bezorgdheid. ,,Ik geef toe dat de term `Groene Hart' een beetje een anachronisme is'', aldus Bertram Zagema van Milieudefensie. ,,Maar dat wil nog allerminst zeggen dat we dan ook berusten in weer nieuwe bebouwing.'' Er zou veel meer moeten gebeuren op oude terreinen, vindt de milieubeweging. Voor de ontwikkelaars is het echter veel makkelijker op nieuwe grond iets te beginnen dan wanneer ze eerst de oude, soms sterk vervuilde grond moeten schoonmaken.

Pronk is nog druk bezig met zijn Vijfde Nota voor de Ruimtelijke Ordening, waarin hij onder meer de nieuwe regels voor een gebied als het Groene Hart moet aangeven. In afwachting van dit werkstuk, dat zijn magnum opus van deze kabinetsperiode moet worden, legt hij zijn experts van de Rijkplanologische Dienst (RPD) een spreekverbod op over de ontwikkeling van het Groene Hart.

De uitgangspositie van Pronk is intussen niet gunstig. Prof. Priemus wijst erop dat Pronk zich tegenover een machtige coalitie geplaatst ziet. Allereerst zijn er veel gemeenten die graag meer woningen en vooral ook bedrijven binnen hun grenzen halen. Hoe meer goed verdienende mensen en hoe meer banen, hoe vitaler een gemeente, redeneren de meesten. Elke wethouder is bang de boot te missen. Daarnaast zijn er ook de kleinere projectontwikkelaars, die bij de grote Vinex-wijken buiten de prijzen zijn gevallen, en via kleinere projecten in het Groene Hart alsnog aan hun trekken hopen te komen.

De belangrijkste tegenstander van Pronk is echter de woonconsument zelf, die niets liever doet dan wonen in het groen op geringe afstand van de steden. De Alphense wethouder Van der Veen Meerstadt kent dat fenomeen: ,,De mensen hier willen eigenlijk allemaal met de voorkant van hun huis aan de Kalverstraat staan en met de achterkant aan de Veluwe.'' Dit proces wordt nog versterkt door de voortschrijdende gezinsverdunning. Steeds meer mensen wonen alleen of met één andere persoon samen en hebben daardoor gemiddeld genomen meer ruimte nodig dan vroeger, toen de meeste huishoudens groter waren.

Een complicerende factor is voorts de ongewisse toekomst van de landbouw in het Groene Hart. Vooral de akkerbouwers zullen op termijn alleen het hoofd boven water kunnen houden als ze hun bedrijven vergroten. Daarvoor is echter juist in het toch al volle Groene Hart geen ruimte. Bovendien ziet het er naar uit dat ze geleidelijk aan op minder subsidies uit Brussel kunnen rekenen. Voor steeds meer boeren zal daarom de verleiding groot zijn het bijltje er bij neer te gooien en hun land voor veel geld te verkopen. Minder somber zijn overigens de vooruitzichten voor de melkveehouders, die vooral aan de oostelijke kant van het Groene Hart zitten.

Veel plaatsen in het Groene Hart hebben zich de afgelopen decennia ontwikkeld tot regelrechte concurrenten voor de grote steden, daarbij gestimuleerd door het zogeheten groeikernenbeleid van de overheid. Juist gezinnen met goede inkomens en een goede scholing vestigden zich in plaatsen als Alphen aan den Rijn, Woerden, Gouda en Zoetermeer. Bleven de meesten in eerste instantie nog werken in de grote steden, velen van hen zochten na verloop van tijd werk dichter bij huis. Elke dag verloren ze immers veel tijd in de file. Om hun bereikbaarheid te vergroten, trokken daarop veel bedrijven naar strategische locaties in het Groene Hart. De gemeentebesturen ontvingen hen met open armen en aarzelden niet bestaande bestemmingsplannen zo nodig voor de bedrijven open te breken.

Onder druk van de grote steden, die vreesden dat ze zouden leegbloeden, poogde de rijksoverheid ten slotte het tij te keren. Ze besloot de trek naar het Groene Hart niet langer te stimuleren. In plaats daarvan moesten er grote Vinex-wijken in en bij de grote steden verrijzen, die de bevolking voor de steden zou behouden. Nieuwe bebouwing binnen het Groene Hart werd, althans op papier, vrijwel onmogelijk gemaakt.

Dit tot grote verontwaardiging van de voormalige groeikernen. De Alphense wethouder Van der Veen Meerstadt briest dat hij niet in een keurslijf wenst te worden gestopt. ,,Nu mogen we er nog maar 150 woningen per jaar bijbouwen. Eerst werden de mensen de stad uitgejaagd en vingen wij ze op en nu zouden diezelfde steden ons eens even moeten gaan vertellen hoe wij het Groene Hart moeten besturen. Kom nou.'' Ook voor Pronk heeft hij een nadrukkelijk advies: ,,De afspraak was dat het Groene Hart-beleid niet rigide zou zijn. Pronk moet niet de wethouder van Nederland willen zijn.''

De rijksoverheid deed zijn eigen geloofwaardigheid intussen ook weinig goed door in te stemmen met de aanleg van de hogesnelheidslijn-zuid dwars door het Groene Hart. De instemming door kabinet en Kamer met een `koeientunnel' van een miljard gulden onder een deel van het tracé, dat landschappelijk niet bijzonder interessant was, veranderde daaraan niet veel.

In dit klimaat moet Pronk proberen een nieuw beleid te ontwikkelen om de resterende brokstukken van het Groene Hart te redden. Erg veel houvast voor een Groene Hart-nieuwe stijl kunnen anderen hem niet bieden. Priemus oppert dat Pronk ditmaal wellicht beter eerst zou kunnen vaststellen waar hij het groen wil hebben. ,,Dat moet je dan ook bijzonder streng bewaken'', aldus Priemus, ,,zodat het niet steeds verder afbrokkelt. Vervolgens kun je in andere, landschappelijk minder interessante gebieden nieuwe dingen bouwen.''

Priemus zou ook graag zien dat vooral de provincie meer mogelijkheden krijgt land te kopen. Daarmee zou de ontwikkeling van een gebied als het Groene Hart beter in de hand zijn te houden. Ook gemeenten zouden wat hem betreft assertiever moeten zijn. Deze suggestie komt hem op een schamper lachje van de Alphense wethouder Van der Veen Meerstadt te staan. ,,We zouden wel willen, maar we hebben gewoon het geld niet. Bovendien zijn we al te laat. Rond Alphen, ook buiten de contouren waar nog mag worden gebouwd, hebben allerlei ontwikkelaars hun posities al ingenomen.''

De milieubeweging erkent intussen dat ze nog geen uitgewerkt concept heeft voor het Groene Hart. Dit voorjaar gaat ze er serieus over praten. Een ding weet Zagema van Milieudefensie al wel: ,,Pronk moet de gemeenten en de provincie meer achter de vodden zitten dan tot dusverre. Hij moet de bestemmings- en streekplannen precies toetsen aan eerdere afspraken. Soms moet hij niet aarzelen om, net als in België, gebouwen af te breken.''

Pronk zinspeelde daarop vorig najaar ook al eens, al voegde hij er onmiddellijk aan toe dat hij niet als `Jan de Sloper' de geschiedenis in wenste te gaan. Het wachten is eerst op de daden van `Jan de Planner'.