Een Noorse premier lacht het laatst

De minderheidsregering in Noorwegen balanceert van crisis naar crisis, maar wint alleen maar aan populariteit.

De Noorse christen-democratische premier Kjell Magne Bondevik heeft één crisis overleefd. Maar donderdag wacht nog een tweede. Gisteren debatteerde de Storting, de Tweede Kamer, over het oude vliegveld Fornebu bij Oslo. Het terrein moet worden ontwikkeld tot een park voor hoogwaardige computerbedrijven. Oppositie en regering verschillen van mening over de vraag wie dit bedrijvenpark zou mogen ontwikkelen, en wie namens de regering de controle zou moeten uitoefenen.

Belangrijker dan de namen van de betreffende bedrijven was het feit dat een meerderheid van de oppositie haar voorstel wenste door te drukken. Aangezien de regering in de Kamer slechts over 42 van de 165 zetels beschikt, en haar politieke lot aan het onderwerp had verbonden, zou dat gemakkelijk het einde van Bondeviks premierschap hebben kunnen betekenen.

Maar de goedlachse lutherse dominee bleek andermaal taaier dan menigeen dacht. Na de verkiezingen in 1997 gaven analisten hem niet meer dan een jaar, voordat zijn regering zou vallen. Maar door bij wisselende partijen een meerderheid te zoeken en door regelmatig een nederlaag te accepteren, heeft Bondevik het tot nu toe steeds weer gered.

Bondevik heeft zijn centrum-coalitie de afgelopen twee jaar gepresenteerd als een Noorse variant van Tony Blairs `Derde Weg'. Voor zijn begroting heeft hij aanvankelijk een meerderheid gezocht bij de rechtse oppositie, bestaande uit de Conservatieven en de Vooruitgangspartij. Maar om te voorkomen dat zijn regering te veel vereenzelvigd zou worden met rechts, sloot hij voor de begroting van dit jaar een pact met de sociaal-democraten die daartoe hun verzet tegen Bondeviks gezinspolitiek hebben opgegeven.

De premier zit inmiddels in een comfortabele positie. Uit een enquête blijkt dat 58 procent van de Noren wil dat Bondevik aanblijft, zelfs als hij dezer dagen een forse nederlaag zou lijden in de Storting. Eigenlijk is er nauwelijks een alternatief voor zijn minderheidscoalitie van christen-democraten, Centrum Partij en liberalen. En omdat het Noorse systeem tussentijdse verkiezingen uitsluit, bedenken de sociaal-democraten (met 65 zetels nog steeds veruit de grootste partij) en de extreem-rechtse Vooruitgangspartij (25 zetels), die beide het meest te verliezen hebben, zich wel twee keer voor ze het zo ver laten komen.

Dat bleek ook gistermorgen. Uiteindelijk was het de Vooruitgangspartij van Carl I. Hagen die liet weten van Fornebu toch geen halszaak te willen maken. De voorstellen van de oppositie moeten wat Hagen betreft worden beschouwd als suggesties en niet als eisen.

Toch is het niet zeker dat de premier het einde van de week haalt. Morgen komt er alweer een netelig onderwerp in het parlement aan de orde, de bouw van gasgestookte elektriciteitscentrales. De regering verzet zich tegen zulke centrales, omdat ze te veel kooldioxide uitstoten. Een meerderheid in het parlement vindt dit schijnheilig, want nu koopt het land elektriciteit in Denemarken, waar veel vuilere kolencentrales worden gebruikt. Incasseert de premier een nederlaag of stapt hij op?