Een monument, maar niet van harte

Ruim zestigduizend joden zijn tijdens de bezetting uit Griekenland weggevoerd, maar de herinnering daaraan wordt in dit land veel minder in stand gehouden dan bijvoorbeeld in Nederland. De Grieken denken er niet graag meer aan. Een onmiskenbare antisemitische onderstroming speelt haar eigen rol. Er is geen sprake van georganiseerd antisemitisme en men kan ook niet zeggen dat de doorsnee Griek antisemiet is, maar wat hij doorgaans óók niet is, is anti-antisemiet. Een zekere onverschilligheid overheerst. Antisemitische exclamaties die in Nederland een explosie van verontwaardiging teweeg zouden brengen, gaan hier achteloos voorbij. Hetzelfde kan men zeggen van de weinige herdenkingen.

Vooral de kwestie van de monumenten levert een moeizaam verhaal op. Thessaloniki was eens een half-joodse stad, met 32 synagoges en een haven die zaterdags sloot. In de stad hoorde men overal het Ladino, het Spaans dat de Sefardische vluchtelingen in 1492 uit Spanje hadden meegebracht. Van de 50.000 joden die er in 1940 woonden zijn er 46.000 naar de vernietigingskampen gebracht.

Maar het is of de huidige bewoners daar liever niet aan herinnerd willen worden. Dit bleek ook toen Thessaloniki in 1997 culturele hoofdstad van Europa was. Wel resulteerde dit in twee joodse musea en ook, eindelijk, in een monument `voor de joodse martelaren'. Wie dit wil bezichtigen, moet echter lang zoeken. Zelfs op het toeristenbureau kan men hem niet inlichten.

In enkele kleinere steden van waaruit joden zijn weggevoerd, waren al eerder monumenten geplaatst: Drama, Jannina, Larissa. Vorig jaar besloot de gemeenteraad van deze laatste stad tot een tweede gedenkteken, in nagedachtenis van Anne Frank. (Later dit jaar zal in Athene een grote tentoonstelling aan haar worden gewijd.) De loco-burgemeester van Amsterdam, de voorzitter van de Anne Frankstichting en de Nederlandse ambassadeur woonden de plechtigheid bij. Tot hun verwondering zagen zij hoe een groepje opmarcherende anti-joodse betogers het plein trachtte te betreden om de ceremonie te verstoren. Politie hield hen tegen. Een van de aanwezige joodse hoogwaardigheidsbekleders was minder verbaasd. ,,Het monumentje is veel te fragiel'', zei hij ook.

Eveneens vorig jaar kwam het tot de inwijding, in de Kretenzische stad Chaniá, van de geheel gerestaureerde synagoge Ets Hayyim (Boom des Levens) uit de 15de eeuw, die in het centrum van de stad stond, met rondom de joodse wijk. De joodse bewoning ging daar terug tot in de Romeinse tijd. Niet één jood heeft de bezetting overleefd. In juni 1944 werden 265 joden en ongeveer 500 Griekse en Italiaanse krijgsgevangenen op het schip Tanais weggevoerd, dat vervolgens door de Britten in de Egeïsche Zee werd getorpedeerd, waarbij allen omkwamen.

Enkele jaren geleden kwam het tot een van de zeldzame protesten van de Centrale Joodse Raad, die de ca. 5.000 huidige joden van Griekenland vertegenwoordigt. Het ging tegen Manolis Rasoulis, de nog steeds populaire Kretenzische tekstschrijver die er zijn voldoening over had uitgesproken dat zijn eiland sinds deze ramp `jodenvrij' was. Helemaal gelijk had hij daarmee overigens niet: in Chaniá woonde nog altijd Nikolas Stavroulákis, directeur van het Joods Museum in Athene, die er zijn levenswerk van heeft gemaakt om de historische synagoge in ere te herstellen.

Geen wonder dat de inwijding, in oktober vorig jaar, nieuwe problemen met zich meebracht. De regering zond welwillende boodschappen, oud-premier Mitsotákis (zelf Kretenzer) was aanwezig evenals de burgemeester. Maar de provincieprefect schreef een brief van afkeuring, en de plaatselijke Grieks-orthodoxe bisschop woonde weliswaar de plechtigheid bij, maar liet blijken die afkeuring te delen: hij was in het geheel niet gekend in de wederingebruikstelling, terwijl een wet uit de dictatuur-Metaxás (1936-41) deze controle van de staatskerk wel voorschrijft.

Hun bezwaren golden niet zozeer de restauratie alswel het feit dat de synagoge weer zou functioneren, terwijl er geen joodse gemeente meer op het eiland is. De Centrale Joodse Raad riposteerde dat het gebouw ook voor niet-joodse, culturele evenementen gebruikt zou worden en verder van toeristische betekenis was voor Chaniá.

Met dat al had de hoofdstad Athene nog steeds geen monument. Plotseling, in december vorig jaar, stond het er: een constructie van veel prikkeldraad en ander ijzerwerk, naar boven culminerend in een wegvliegende vogel. Noch de voorbereiding, noch de inwijding was met enigerlei publiciteit gepaard gegaan, ook niet voor het feit dat het betreffende plein, tevoren naamloos, inmiddels naar de `joodse martelaren' was genoemd. Dat plein bevindt zich naast de Theseion-tempel en, hoog in de verte, ontwaart men de Akropolis.

Daags erna kwamen de bezwaren, ditmaal van de Archeologische Raad, een machtig lichaam in Griekenland. Deze klaagde dat hij in het geheel niet was gekend in de plaatsing en dat het monument `op archeologisch terrein' stond. Verwijdering vóór 31 januari werd geëist, een datum die allang weer is verstreken. De gemeente Athene toont geen aanstalten er een andere plek voor te vinden. De archeologen dreigen met juridische stappen.

Ook de Joodse Raad voelt wel wat voor verplaatsing. Overdag lijkt het een mooi pleintje, maar 'snachts is er geen licht en geen bewaking. Reeds is er een hakenkruis geklad over de naam van de burgemeester die ertoe heeft bijgedragen. Ook valt er een gekalkte tekst, in kleine lettertjes, te ontcijferen: `De nazi's, dat zijn de joden'. Ondertekend: `De Oude Priesters'. Waarschijnlijk was hier het ongure clubje aan het werk dat de `puur-Griekse' religie van de Twaalf Goden wil hooghouden. En aan de voet van het monument had iemand zijn vuilnis gedeponeerd. Die lag er de volgende dag nog. De publiciteit blijft nihil.

Eén machtig en onsterfelijk monument voor de joden is in Griekenland ontstaan, niet visueel maar muzikaal: de Mauthausencyclus van Mikis Theodorakis. Maar toen deze enkele jaren geleden in het concentratiekamp zelf ten gehore werd gebracht, onder leiding van de componist, gezongen door Maria Farandouri, is dat in Griekenland totaal onopgemerkt gebleven.