Vervolging Bouterse om moord is complex

Het internationale recht is volop in beweging. Deskundigen zien haken en ogen aan vervolging van Bouterse.

. Voor liefhebbers van internationaal recht zijn het mooie tijden. Terwijl de maandenlange juridische strijd over een mogelijke rechtsgang van de Chileense ex-dictator Pinochet nog maar net was afgelopen, diende zich in Nederland alweer een nieuwe kwestie aan. Het Amsterdamse gerechtshof noemde afgelopen vrijdag een mogelijke vervolging van de voormalige Surinaamse legerleider D. Bouterse vanwege zijn betrokkenheid bij de `decembermoorden' ,,opportuun'', al moeten er nog wel een aantal cruciale vragen worden beantwoord.

Volkenrechtdeskundigen meldden zich dit weekend op de website van het hof om de beschikking goed te bestuderen. Allemaal zijn ze het erover eens dat het een unieke uitspraak betreft. Eensgezind wordt verwezen naar een soortgelijke zaak uit 1994 toen het gerechtshof zich boog over de vraag of Pinochet, destijds op bezoek in Nederland, vervolgd zou kunnen worden. Dat verzoek werd afgewezen omdat de zaak feitelijk en juridisch te ingewikkeld werd geacht. In vergelijking met toen, zo vindt internationaal strafrechtdeskundige A. Klip van de Utrechtse universiteit, heeft het hof de zaken nu veel grondiger aangepakt en ,,echt een breuk'' veroorzaakt. ,,Je laat in ieder geval zien dat je als land serieus naar dit soort misdaden kijkt en dat is winst.'' En ook Th. van Boven, hoogleraar internationaal recht aan de universiteit Maastricht, vindt de beschikking ,,vanuit het oogpunt van de mensenrechten alleen maar toe te juichen''. Maar de verdere uitwerking noemt Van Boven nog niet zo eenvoudig: ,,Niet voor niets spreekt het hof geen definitief oordeel uit omdat een volkenrechtdeskundige nog eens naar een aantal wezenlijke punten moet kijken. Dat is heel verstandig, omdat de internationale jurisdictie erg in beweging is.''

Juist die recente beweging maakt het internationale recht interessant, maar vooral ook ingewikkeld. Meer dan bij veel andere juridische vraagstukken speelt op dit terrein de politiek immers een doorslaggevende rol. De kwestie-Pinochet, zoals die zich de afgelopen zestien maanden in Engeland ontwikkelde, was enkele jaren geleden nog moeilijk voorstelbaar geweest. En de instelling van de Rwanda- en Joegoslaviëtribunalen zijn gebeurtenissen die alleen maar mogelijk werden omdat de internationale politiek er uiteindelijk het fiat voor gaf.

Een eventuele vervolging van Bouterse vanwege de `decembermoorden' past op het eerste gezicht in deze daadkrachtige tijdsgeest. Ook in Nederland waren de politieke- en juridische geesten na 1982 blijkbaar nooit rijp voor actie, totdat het gerechtshof Nederland afgelopen vrijdag als ,,de meest aangewezen overheid'' omschreef om tot vervolging van de decembermoorden over te gaan. Want, zo redeneert het hof, vervolging in Suriname zelf ligt niet voor de hand, dus is Nederland, vanwege de historische banden, een logisch alternatief.

Maar volgens Klip ligt dit `opportuniteitsbeginsel' nog niet zo simpel: ,,Uit het nadere onderzoek zou straks kunnen blijken dat de decembermoorden als misdaden tegen de menselijkheid of foltering zijn te kwalificeren. De gebeurtenis valt dan onder het volkenrechterlijk gewoonterecht. Maar in dat geval kunnen alle landen in principe vervolgen en is dat niet vanzelfsprekend voorbehouden aan Nederland.'' Overigens gaat daar volgens Klip een principiële vraag aan vooraf: kan een Nederlandse rechter het volkenrechterlijke gewoonterecht wel toepassen, waar dit normaliter door internationale rechters gebeurt?

En er spelen meer complicerende factoren. Zo worden misdaden tegen de menselijkheid in het Nederlandse strafrecht alleen maar genoemd in relatie met de Tweede Wereldoorlog. En los daarvan moet worden bekeken of de decembermoorden juridisch gezien wel in dezelfde categorie vallen als bijvoorbeeld gebeurtenissen in voormalig Joegoslavië of Rwanda. Bovendien werden bij de decembermoorden twee militairen gedood, waar in de statuten van de Rwanda- en Joegoslavië-tribunalen alleen maar van misdaden tegen burgers wordt gesproken. Het maakt allemaal volgens Klip dat de procedure nog maar aan het begin staat: ,,Eerst moeten de volkenrechterlijke aspecten duidelijk worden, dan de doorwerking naar het Nederlands recht en vervolgens het antwoord op de vraag of Nederland rechtsmacht heeft en of het opportuun is of ons land überhaupt vervolgt. Het zijn vragen die het hof terecht beantwoord wil zien, maar de antwoorden zijn nog niet zo simpel.''

Eén ding is duidelijk: het hof lijkt onzekerheden te willen uitsluiten voordat vervolging definitief mogelijk wordt geacht. Mocht het openbaar ministerie uiteindelijk een gerechtelijk vooronderzoek naar de decembermoorden openen, dan zal dat niet tot Bouterse beperkt blijven. De gebeurtenissen in de nacht van 8 op 9 december waren een aangelegenheid van de `Groep van Zestien', de club sergeants die in 1980 de macht in Suriname greep. Nu al is duidelijk dat ook de andere leden van deze groep, mocht Nederland in deze zaak rechtsmacht tegen Bouterse blijken te hebben, in het vizier zullen komen. Nabestaanden van de slachtoffers van de decembermoorden hebben de aangiftes tegen hen reeds bij het OM gedeponeerd.

Dossier Suriname www.nrc.nl