Rechtshulp

Na lezing van het artikel `Rechtshulp met subsidie. Helft van Nederlanders komt in aanmerking' (NRC Handelsblad, 12 februari), schudde ons kantoor op zijn grondvesten. In dit artikel tracht de heer Janssen, directeur van de Bureaus voor Rechtshulp (BVR) in zuidoost-Nederland, justitiabelen aan te moedigen zich te wenden tot een BVR. Want een BVR verschaft juridisch advies tegen zeer lage kosten. Van de 120.000 mensen die vorig jaar een BVR in zijn regio om hulp vroegen, betaalden slechts zo'n 300 personen meer dan 120 gulden, aldus Janssen. Dit bedrag wordt door hem vergeleken met het uurtarief van de advocaat: een advocaat kost vaak 300 gulden per uur, exclusief BTW.

Een advocaat verdient geen 300 gulden per uur. Na aftrek van de vele kosten houdt een advocaat aan salaris wellicht nog minder over dan een jurist werkzaam bij een BVR. Het is onmogelijk om de lage kosten die een BVR in rekening brengt te vergelijken met het uurtarief van een advocaat. BVRs worden immers gesubsidieerd door de Raden van Rechtsbijstand en advocatenkantoren niet.

Vervolgens stelt Janssen dat de BVRs 97 procent van de zaken kunnen afdoen binnen drie uur tegen een eigen bijdrage van dertig gulden (nogmaals tegen subsidie), terwijl advocaten voor vrijwel al hun zaken meer dan drie uur nodig hebben. Hij vergeet een onderscheid te maken tussen eenvoudige zaken en gecompliceerde zaken. Eenvoudige zaken kunnen binnen drie uur afgehandeld worden, maar gecompliceerde zaken vergen meer tijd. Volgens Janssen kunnen BVRs hun zaken sneller afdoen dan advocaten, omdat BVRs veel specialistische kennis in huis hebben. Met andere woorden: juristen werkzaam bij BVRs zijn slimmer dan advocaten. Dan mag hij ons toch nog eens uitleggen waarom zaken van gecompliceerde aard door BVRs al snel doorverwezen worden naar een advocaat.

In zijn reclamecampagne voor de BVRs ten koste van de advocatuur deed de volgende uitspraak ons letterlijk van onze stoel vallen. Volgens Janssen schuilt de efficiëntie van de BVRs deels in het feit dat de BVR-juristen in loondienst zijn, en er dus geen baat bij hebben zaken langer te laten duren dan nodig is. In deze laatste zinsnede suggereert hij dat advocaten aan hun cliënten moedwillig meer tijd in rekening brengen dan nodig is. Kortom: advocaten zijn oplichters. Een schandelijke leugen. Het is waar dat advocaten omzet moeten maken om de praktijk draaiende te houden, maar het maken van omzet staat niet gelijk aan het opstellen van gefingeerde rekeningen.