Mensen kunnen berouw tonen, staten niet

De publieke excuses door nationale of kerkelijke autoriteiten lijken niet te stuiten. Ze zijn echter te abstract. Onduidelijk is wie er wat mee opschiet, vindt Stef Scagliola.

Sinds eind jaren tachtig hebben verschillende inheemse volken, ex-gekoloniseerden, religieuze minderheden, oorlogsslachtoffers en andere onderdrukte groeperingen officiële erkenning gekregen voor het onrecht dat hun in het verleden is aangedaan. Het toont aan dat de democratisering van geschiedschrijving flink is gevorderd. Eurocentristische en nationalistische benaderingen van de geschiedenis hebben afgedaan en het beoordelen van historische ontwikkelingen aan de hand van humanistische waarden lijkt de nieuwe norm.

De afgelopen weken is het punt van de excuses voor drie Nederlandse historische `pijnplekken' aan de orde geweest: voor de gebrekkige opvang van joodse overlevenden uit de concentratiekampen; de ontberingen van in Nederlands-Indië geïnterneerde burgers en dwangarbeiders tijdens de Japanse bezetting en het Nederlandse gewelddadige optreden tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd in de jaren 1945-1950.

De historicus Ido de Haan pleit voor de institutionalisering van excuses op staatsniveau (opiniepagina van 22 februari). Volgens hem hoort een fatsoenlijke regering verantwoording af te leggen voor fouten uit het verleden.

Op grote afstand lijkt het alsof er een redelijke mate van overeenstemming bestaat tussen staten over de humanistische normen bij de beoordeling van pijnlijke episoden uit het verleden. Maar wanneer de specifieke historische context van een gebeurtenis wordt bekeken, blijken de morele categorieën zeer arbitrair.

De Haan bekritiseert premier Kok omdat hij publieke excuses van Japan aan de Nederlandse oorlogsslachtoffers als voorwaarde stelde voor het aanhalen van de bilaterale betrekkingen. Opvallend omdat Kok enkele weken eerder aanvankelijk niet bereid was de joodse gemeenschap excuses aan te bieden voor het weinig behulpzame optreden van de Nederlandse overheid tegenover teruggekeerde overlevenden uit de concentratiekampen. De Haan trekt vervolgens de lijn door naar de Indonesië-kwestie. Als Japan schuld moet bekennen voor zijn imperialistische zonden, dan verdient Indonesië ook excuses van Nederland voor het militaire ingrijpen in de periode 1946-1950.

Hij leek op zijn wenken te worden bediend. Een paar dagen later bleek Kok bereid tot excuses aan Indonesië. Maar dan doemen verschillende problemen op die tekenend zijn voor het problematische karakter van excuses op staatsniveau.

Zo is er een historisch probleem. Nederland is niet beter of heiliger dan Japan, maar het is een feit dat Japanse vormen van terreur en onderdrukking tijdens de Tweede Wereldoorlog geen onderdeel uitmaakten van de latere Nederlandse militaire acties.

Verder is er de factor van contraproductiviteit. De bereidheid van Kok tot het aanbieden van excuses aan Indonesië, versterkt, net als de bereidheid van premier Keizo Obuchi in Japan zich tegenover Nederland te verontschuldigen, de positie van de `hardliners', die weigeren verantwoording af te leggen voor het verleden.

Maar het fundamenteelste probleem is het abstracte karakter van de excuses. Daardoor is onduidelijk wie er wat mee opschiet. Indonesië heeft helemaal geen behoefte aan excuses, de Indische organisaties zijn niet tevreden over de vorm van de Japanse excuses en willen financieel rechtsherstel, de joodse organisaties hebben excuses gekregen en een financiële tegemoetkoming, maar voelen zich tekort gedaan.

Dit toont aan hoe pogingen tot zingeving verstrikt raken in de specifieke context van een historisch probleem. Er is geen sprake van eenheid van tijd, plaats en handeling, zoals tijdens de confrontatie tussen daders en slachtoffers bij de zittingen van de Waarheidscommissie in Zuid-Afrika. Er zijn te indirecte verbanden tussen enerzijds een regering die niet zelf verantwoordelijk is voor de gebeurtenissen van destijds, maar zegt te spreken namens de boosdoeners, die vaak zelf niet meer leven of van wie niet bekend is of ze oprecht spijt hebben. Anderzijds is er een regering die als spreekbuis fungeert voor de groep om wie het uiteindelijk gaat: de gedupeerden, die vaak niet eensgezind zijn over wat de juiste wijze is voor genoegdoening is. De hele exercitie wordt uiteindelijk een ritueel dat voor niemand bevredigend is.

Een ander bezwaar van officiële excuses is dat ze afhankelijk zijn van de geopolitieke situatie, waardoor er moreel gezien merkwaardige situaties ontstaan en groepen worden uitgesloten die aan de `foute' kant hebben geleden. Is het gepast excuses aan te bieden aan autoritaire regimes die zelf een veelvoud aan onderdrukking op hun geweten hebben? Had koningin Beatrix bij haar bezoek aan Indonesië in 1995 excuses kunnen richten aan president Soeharto? En de slachtoffers van de geallieerde bombardementen op Dresden en Hiroshima kunnen vooralsnog fluiten naar officiële erkenning van hun leed door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.

Hiermee is niet gezegd dat iedereen verder geëxcuseerd is voor historische dwalingen omdat het zo lastig is de kwestie op een voor iedereen bevredigende manier af te wikkelen. Wat moet er dan wel gebeuren?

Allereerst moet een strikt onderscheid worden gemaakt tussen rechtsherstel, een zaak die wel door een staat volgens redelijk objectieve criteria te regelen valt, en kwesties die met zingeving samenhangen. Daarnaast moet de keten van excuses-erkenning-verzoening `gedepolitiseerd' en `gepersonaliseerd' worden zodat er een directere verhouding ontstaat tussen de eisende en de gedaagde partij. Het moet een proces zijn dat zich afspeelt tussen nabestaanden en lotgenoten aan beide zijden.

Japan is op de goede weg. Het project waarbij kampdagboeken worden vertaald in het Japans, de uitnodiging van de overheid aan kinderen en kleinkinderen van kampslachtoffers Japan te bezoeken, de lobby meer openheid te betrachten over het Japanse oorlogsverleden, wijzen in de goede richting. De recente herdenking van het bombardement op Dresden past ook in zo'n opzet. Er werd een gouden kruis aangeboden, gemaakt door een Britse kunstsmid wiens vader als piloot de stad had gebombardeerd. De meest indrukwekkende geste is echter de letterlijke knieval van Willy Brandt in Warschau in 1970. Hij zal hierover vast niet van te voren met de joodse gemeenschap of Poolse regering overleg hebben gepleegd. En dat is de essentie van oprecht berouw tonen. Mensen kunnen dat wel, staten niet.

Stef Scagliola is historisch onderzoeker aan de Erasmus Universiteit.