Loonmatiging ten einde

Jaren van loonmatiging lijken ten einde door de economische hoerastemming en de krapte op de arbeidsmarkt. Dreigt een loonexplosie?

In het poldermodel staat het begrip loonmatiging nog centraal, maar in de dagelijkse realiteit niet. Met recordaantallen vacatures en een werkloosheid van 2,6 procent ligt dat ook voor de hand. Er is nog zoiets als een arbeidsmarkt.

Veel nieuwe werknemers beginnen allang niet meer met nul dienstjaren, maar krijgen er gelijk een paar toebedeeld. Schaarstetoeslagen zijn op een gespannen arbeidsmarkt ook populair, en hetzelfde geldt voor jobhoppen, vaak met het oog op betere betaling. Veranderde in 1994 4 procent van de werknemers van werkplek, in 1998 was dat de helft meer. En als de tekenen niet bedriegen, stijgt dat percentage verder.

Dat de vakcentrale FNV door de economische hoerastemming en de `exorbitante zelfverrijking' onder topmanagers niet langer op de loonrem wil trappen wordt ook duidelijk. Mikte de FNV medio vorig jaar nog op 1,75 à 2,25 procent loonsverhoging, op Prinsjesdag ging dat naar maximaal 3 procent plus 0,5 procent voor `leuke dingen' en eind vorig jaar naar 4 procent plus 0,5 procent. Het opvallende was dat FNV's bijna-verdubbeling van de looneis binnen een half jaar vrij weinig reactie opriep. Vorige maand deed Abvakabo FNV er nog een schepje bovenop met een looneis in de zorgsector van 7 à 8 procent.

Kort daarvoor verklaarde de voorzitter van FNV Bondgenoten, Hans de Vries, een bijna twintigjarig streven naar loonmatiging openlijk tot gepasseerd station. ,,Nederland hoeft geen lage-lonenland te worden'', sprak De Vries tijdens het congres van zijn bond, met bijna een half miljoen leden de grootste van het land. ,,Ons bedrijfsleven moet op de Europese en wereldmarkten niet op loonhoogte willen concurreren'' want zulks maakt de werkgever ,,gemakzuchtig en kortzichtig''. Wel moet bedrijven volgens hem ,,streven naar de kennisintensieve economie'', zodat hoogwaardiger ,,alternatieve werkgelegenheid onstaat''.

Het congres van FNV Bondgenoten aanvaardde zelfs de stelling dat ,,het naar andere landen verdwijnen van productie die gebaseerd is op naar Nederlandse maatstaven te lage loonkosten (...) acceptabel kan zijn''. De Vries verwierp sporadisch werkgeversverzet tegen FNV's looneis van 4 procent met het argument dat dezelfde werkgevers het afgelopen jaar ruim 1,5 procent meer dan de formele CAO-loonsverhoging van 2,7 procent hadden betaald.

Onderzoeker T. van de Hoven van de werkgeversvereniging voor de metaal- en elektrotechnische industrie FME-CWM bevestigde onlangs het cijfer van de Vries. Vorig jaar bleek de werkelijke loonsverhoging in de sector aanzienlijk hoger uitgekomen dan de bij CAO afgesproken 2,6 procent. De reële verhoging bleek 4,26 procent en de onderzoeker was daarvan ,,heel erg geschrokken''.

Minder onder de indruk is de Rotterdamse sociaal-econoom prof. Coen Teulings. Hij wijst erop dat de Nederlandse lonen in het kielzog van het befaamde akkoord van Wassenaar dat werkgevers en werknemers in 1982 sloten door vele factoren – zoals de economische crisis begin jaren tachtig, verlaging van sociale uitkeringen en de toevloed van vrouwen op de arbeidsmarkt – met bijna 20 procent achterbleven bij het Europees gemiddelde. Teulings: ,,Na een jaar of twintig loonmatiging zie je dat andere lange-termijneffecten gaan werken. Er komen door de verbetering van economische infrastructuur en investeringsklimaat steeds meer nieuwe bedrijven, meer vraag naar arbeid en opwaartse druk op de lonen.'' Volgens Teulings keert Nederland zo weer terug naar het Europese loongemiddelde. ,,Dat wordt afgedwongen door de markt.''

Zeker nu de afzwakkende loonmatiging volgend jaar samenvalt met een krachtige stijging van de koopkracht door invoering van het nieuwe belastingstelsel rijst de vraag of die ontwikkeling zorgelijk is. Het Centraal Planbureau voorziet bij een CAO-loonstijging van 2,25 procent voor komend jaar volgens voorlopige cijfers een reële koopkrachtverhoging voor Jan Modaal met 4,25 procent. Daarbij is rekening gehouden met een verwachte inflatie van 3,25 procent. Gaan de lonen met 4 procent omhoog, wat heel goed mogelijk is, dan kan de koopkracht zelfs met 6 procent stijgen.

Dreigt een herhaling van 1989-1992, toen oplopende lonen en dalende winsten een loon- en prijsspiraaltje plus conjuncturele dip veroorzaakten?

Paul van der Ven, van de stafgroep economisch onderzoek van de Rabobank, wil dat niet bevestigen. Volgens de CPB-prognose daalt de arbeidsinkomensquote – het deel van de bedrijfskosten dat naar loonkosten gaat – immers van 83,25 procent dit jaar tot 82,25 procent in 2001. Dat zou erop wijzen dat het bedrijfsleven de stijging van de loonkosten door verlaging van andere kosten en/of een hogere productiviteit weet te compenseren. ,,Maar waakzaamheid blijft geboden'', waarschuwt Van der Ven. ,,Nu is er alom optimisme en dat lijkt voor 2000 terecht. Daarna nemen de onzekerheden snel toe.''