Hamburgse wedstrijd

De uitdrukking `de Hamburgse rekening' hoorde ik voor het eerst in het schaakcafé van de zanger Tabe Bas. Hij zei dat het een term uit de wereld van de kermisworstelaars was. Die hielden het hele jaar wedstrijden die doorgestoken kaart waren, met veel loze krachtpatserij voor het vermaak van het publiek, maar omdat ze toch graag wilden weten wie de beste was kwamen ze één keer per jaar in een café in Hamburg in het geheim bijeen om zonder publiek echt te vechten.

Zouden de grote zangers ook zo iets doen? Ik vergat het aan Tabe te vragen. Zelf voerde ik de Hamburgse rekening een paar keer op om het schaaktoernooi in Linares te beschrijven en toen ik laatst zag dat wereldkampioen Kasparov die term ook voor dat toernooi gebruikte, vroeg ik me af of die het via mij van Tabe Bas kon hebben. Dat zou ik leuk vinden.

IJdeltuitje! IJverig zocht ik wat er algemeen bekend was over de Hamburgse rekening en enigszins tot mijn teleurstelling bleek dat veel te zijn. Ik leerde het een en ander over de worstelwereld dat ik u hier niet door zal geven en ik merkte ook hoe Kasparov waarschijnlijk aan de Hamburgse rekening was gekomen.

De term was in de Russische literatuur ingevoerd door de criticus Viktor Sjklovski, die in 1928 een bundel essays publiceerde met de titel De Hamburgse wedstrijd. Je kan je daar wel wat bij voorstellen. Er zijn de oplagecijfers en de meningen van de critici, maar in het geheim stellen de schrijvers onder elkaar de echte hiërarchie vast. Achteraf lijkt het levensgevaarlijk om onder Stalin een boek te publiceren waarvan de titel uitdagend aangeeft dat er buiten de officiële kanalen nog een andere, geheime hiërarchie kon bestaan, maar Sjklovski overleefde de terreur en stierf pas in 1984, 91 jaar oud.

Er is hem wel verweten dat hij te veel boog voor de overheid. Nadjezjda Mandelstam, de weduwe van de dichter, beschreef hem als een trouw vriend die haar en haar man altijd onderdak bood, met gevaar voor zijn eigen leven en voor dat van zijn gezin, maar haar memoires bevatten toch veel snibbige opmerkingen over Sjklovski.

Zo schrijft ze dat hij zei dat hij de terreur wilde overleven om later als getuige op te treden. Maar toen het eenmaal zo ver was, was Sjklovski zo oud dat hij de heldere blik miste die een getuige nodig heeft, schrijft ze. Ze suggereert een beetje dat Sjklovski voor niets overleefde.

Ik herinnerde me dat Karel van het Reve vaak over Sjklovski heeft geschreven. Hoewel hij het lang niet in alles met hem eens was, krijg je uit zijn stukken (bijvoorbeeld in Afscheid van Leiden) wel de indruk dat die twee veel gemeen hadden.

Sjklovski vond dat kunstenaars hun effect bereikten door hun werk `vreemd' te maken en daardoor de beschouwer te dwingen met nieuwe ogen te kijken. Hij noemt het geval van iemand die een tekst op een uithangbord altijd verkeerd las, totdat het bord een keer op zijn kant was gezet. Toen pas las hij wat er echt stond. Van de schilder Baselitz, die zijn doeken altijd op zijn kop hangt, zou je kunnen zeggen dat hij in de geest van Sjklovski werkt, al is het op een wel erg simpele manier.

Sjklovski had het ook over `het blootgeven van de kunstgreep'. Meestal verbergen de kunstenaars handig de kunstgrepen waarmee ze de aandacht van hun publiek vangen, maar soms maken ze die juist heel opzichtig duidelijk, en dat heeft dan een aardig effect.

Snuffelend in het werk van Karel van het Reve, van wie ik dit alles heb, vond ik in de bundel Achteraf een stukje dat Tabe heette en over Tabe Bas ging, en dat kwam me goed uit, want wij maken onze stukken graag rond.

Ik had het al vaker gelezen en ik zag nu pas hoe vreemd het was. Het begon met een gesprek dat Karel van het Reve veertig jaar eerder had gehad met Tabe Bas. Die had gezegd dat vrouwelijke acteurs het makkelijker hebben dan mannen, omdat een acteur zichzelf over het voetlicht moet gooien en vrouwen daarin van kindsbeen getraind zijn. Dan gaat het verder: ,,Renate Rubinstein heeft zich haar hele schrijvende leven lang zonder schromen over het voetlicht gegooid.'' Het stukje is een in memoriam.

Iemand die iets over vroeger wil schrijven vindt het moeilijk om met de deur in huis te vallen en daarom begint hij vaak met een actuele gebeurtenis die hem zogenaamd aan het verleden herinnert. Zo beginnen die stukjes in Achteraf ook vaak. `Morgen is Beatrix jarig'. Of: `Onlangs is Boecharin gerehabiliteerd'.

Maar hier was het net andersom. Om een bruggetje te bouwen naar een beschouwing over Renate Rubinstein, die net gestorven was en daardoor aanleiding genoeg gaf voor een stuk, komt hij volkomen onnodig aan met een gesprek van veertig jaar eerder, bovendien een anekdote van niets.

Er waren misschien buiten-literaire redenen om Tabe Bas in dat stukje een groet te brengen, maar in de geest van Sjklovski zou het zijn om te zeggen dat Karel van het Reve hier een Baselitz maakte. Hij zette de traditionele vorm op zijn kop. Dat was me nooit eerder opgevallen.

Ik was wel tevreden met de resultaten van mijn ijdel gesnuffel naar de Hamburgse rekening, maar waar het me eigenlijk om ging was de vraag of die in de literatuur van nu nog bestaat. Zouden de schrijvers nog steeds het gevoel hebben dat er buiten de oplagecijfers, de kritieken, de televisiepraatshows en de algemene publiciteit een echte hiërarchie bestaat die zij zelf onder elkaar vaststellen?

Ik denk het niet. Voor Sjklovski was het in zekere zin makkelijk om de hiërarchie van de stalinistische schrijversbond te negeren. Niet in de praktijk, want het kon hem zijn leven kosten, maar in zijn geest kon hij vrij blijven.

Onder het vriendelijke offensief van nu is het haast onvermijdelijk om de normen van de buitenwereld te internaliseren en te denken dat succes een menselijke plicht is. Misschien terecht. Een goede generaal heeft altijd geluk, zei Napoleon, die zijn tijd vooruit was.