Carnaval is afscheid van het vlees

Het woord carnaval is waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse `carne levare', ofwel het `weghalen van het vlees'. Dit omdat carnaval voor de kerk het afscheid van de zonde is aan de vooravond van veertig dagen vasten, waarin katholieken geacht worden geen vlees te nuttigen.

Gewoonlijk duurt carnaval van de zaterdag tot dinsdag voor Aswoensdag, wanneer het vasten begint. `Vette dinsdag' (Mardi Gras), de dag waarop het laatste opgespaarde vet wordt opgesmikkeld, vormt vaak het hoogtepunt. De officiële voorbereidingen beginnen eerder. Meestal is dat 6 januari, in het Rijnland 11 november om 11.11 uur. In delen van het Caraïbische gebied – Cuba, de Antillen, Trinidad – speelt het carnaval zich in juli af.

Carnaval heeft zich in de donkere Middeleeuwen over Europa verspreid. Het feest vertoont overeenkomsten met de Romeinse Saturnalia. Dat feest werd oorspronkelijk op 17 december gevierd en later een week lang opgerekt. Saturnalia werden gekenmerkt door verkleedpartijen, drankgelagen en vrije seks. De wereld werd op zijn kop gezet. Mannen verkleedden zich als vrouwen, slaven zetten hun meesters voor gek.

Het moderne carnaval heeft zijn wortels ook in heidense vruchtbaarheidsfeesten, waarbij de winter en boze geesten met veel lawaai werden verdreven en de wedergeboorte van de natuur werd gevierd. Oude fallussymbolen – in Nederland soms een winterpeen – spelen nog vaak een rol in de festiviteiten. In Oostenrijk worden geesten en heksen verdreven met trommels, zwepen en gezang; in Spaanse dorpen voeren zomer en winter een rituele strijd.

Tijdens carnaval wordt de maatschappelijke orde op zijn kop gezet. Prins (of koningin) Carnaval regeert, de stadssleutels worden overgedragen aan narren. Carnavalsoptochten trokken in de Middeleeuwen al door het Rijnland, met geile priesters op vrouwenjacht of ambachtslieden die hun geld verdobbelden. Basisingrediënten zijn voorts drank, dansen en wellust, spottende of obscene liedjes, maskers en versieringen.

De kerk verzette zich lang tegen het carnaval, maar staakte in 1091 op de synode van Benevento het verzet en nam carnaval op in de liturgie. Het moest een festival worden waarin christenen afscheid namen van het vlees en de zonde. Niettemin bleven pastoors mopperen over excessen. In de vorige eeuw deed de clerus in België en Zuid-Nederland talloze pogingen de `mascerades der onnoozelen' de nek om te draaien. In het noorden wisten hun protestantse collega's het feest wel uit te bannen.

Het carnaval bleef lang een volksfeest. De elite zag bezorgd toe hoe het volk bestuurders, geestelijken en herenboeren – hossen in boerenkiel – op de hak nam. Na de Tweede Wereldoorlog raakte carnaval dat sociale stigma kwijt.