Vrouwelijke pionier in mannenbastions

Zelf dochter van een feministe-pur-sang, was de sociologe Hilda Verwey-Jonker een van de eerste vrouwen met een carrière in het openbare leven. Woensdag krijgt ze de Aletta Jacobsprijs.

Allesbehalve onmondig houdt Hilda Verwey-Jonker (91) vanaf een flat in Utrecht de wereld in de gaten. Op de salontafel liggen afleveringen van The New Yorker, Bevolking en Gezin en Journal of Social Sciences. ,,Ze is nog steeds enorm betrokken'', zegt haar achternicht en Kamerlid Marjet van Zuylen, die wegens de verschijning van haar geruchtmakende dagboek onlangs nog een felicitatiekaartje van haar oudtante ontving.

Als ze kwaad genoeg is, klimt ze nog in de pen. Bijvoorbeeld toen NRC Handelsblad een stuk van haar met tweederde inkortte tot een ingezonden brief, zodat, vond ze, de strekking veranderde. Ze kaartte het aan bij de Raad voor de Journalistiek. ,,Dat had ik nooit moeten doen. Die Raad valt de Nieuwe Rotterdammer niet af.'' De Raad oordeelde dat de krant toestemming had moeten vragen voor publicatie van de inkorting, maar de volledige versie werd niet alsnog geplaatst. Verwey-Jonker, woedend: ,,Een laffe houding van de hoofdredactie.''

Woensdag ontvangt dr. Hilda Verwey-Jonker de Aletta Jacobsprijs van de Rijksuniversiteit Groningen, die tweejaarlijks wordt uitgereikt aan een vrouw met een academische titel die veel voor de emancipatie heeft gedaan. Ze was in de twintigste eeuw een van de eerste Nederlandse vrouwen met een carrière in het openbare leven. In de jaren dertig zat ze in de Eindhovense gemeenteraad, in de jaren vijftig voor de PvdA in de Eerste Kamer en in 1957 was ze de eerste vrouw in Sociaal-Economische Raad. Daarnaast dook ze op in een onafzienbare rij raden en besturen, onder meer bij de VPRO, de Weekbladpers en de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. En ze schreef rapporten, artikelen en boeken, vaak met `emancipatie' als thema.

Inmiddels loopt ze met een stok en hoort ze met een gehoorapparaat, maar ze woont nog steeds zelfstandig, met hulp van een 67-jarige vrouw die al 32 jaar voor haar werkt. Trouw aan haar thema schreef ze de laatste jaren vooral over gelijke kansen voor de oudere mens. Ze keerde zich tegen ouderenpartijen, omdat echte invloed daar niet te halen valt, en tegen alle obstakels die de maatschappij voor ouderen opwerpt. Waarom is een afwasmachine die op het aanrecht past zo moeilijk verkrijgbaar?, vroeg ze zich in 1996 in NRC Handelsblad af. Telefoonboek, afstandsbediening: onbruikbaar. Haar eigen ,,radiowinkel'' vond een tv voor haar die nog knoppen op het toestel heeft.

Het hoogtepunt van haar carrière lag in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog. Volgens Volkskrant-columnist Jan Blokker kwam haar imago in de buurt van dat van Marga Klompé, Nederlands eerste vrouwelijke minister. ,,Ze was een van de schaarse vrouwen die in allerlei commissies zaten, altijd op tamelijk scharnierachtige punten.'' Met haar kennis en inzicht handhaafde ze zich makkelijk tussen de mannen die daarin toen nog domineerden. Haar vriendin An Thomassen (87), vrouw van oud-burgemeester van Rotterdam Wim Thomassen, zag haar dat voor de oorlog al doen in de SDAP, de voorloper van de PvdA. ,,De partij was absoluut een mannenbolwerk. Door haar helderheid en theoriekennis was Hilda de enige die er als vrouw iets te vertellen had.'' Hoogleraar openbare financiën Victor Halberstadt, die in 1972 even tegelijk met haar in de Sociaal-Economische Raad zat, herinnert zich haar als ,,een vrouw die buitengewoon helder, buitengewoon krachtig en buitengewoon onafhankelijk haar analyses en oordelen vormde.''

Zelf merkt Verwey-Jonker in haar autobiografie uit 1988 op dat ze geprofiteerd heeft van een `kentering in de tijd'. Ze hoefde als echtgenote van een man met een goede baan niet haar eigen brood te verdienen, en maakte tegelijk het begin mee van de tijd waarin vrouwen maatschappelijke functies vervullen, precies wat ze leuk vond om te doen. Haar eerste betaalde baan kreeg ze pas op haar 65ste; aan de Utrechtse universiteit verving ze twee professoren die met verlof waren. Tot die tijd stuwde de veelgemaakte opmerking Er moet een vrouw in, de titel van haar autobiografie, haar carrière voort; de gematigde dr. Hilda Verwey-Jonker bleek vaak een voor de hand liggende keus.

Hilda Verwey-Jonker, geboren in 1908, groeide niet op in een doorsnee-gezin. Haar vader, afgestudeerd bioloog en scheikundige, was remonstrants. Haar moeder, wis- en natuurkundige, vrijzinnig hervormd. De kinderen spraken hun ouders aan met je en jij en droegen moderne kleren zonder knellende banden. Haar ouders waren geheelonthouders en het gezin was een van de eerste in Nederland dat 's zomers ging kamperen in een tent.

Jan Blokker, eveneens afkomstig uit een `remonstrants nest', omschrijft het milieu als ,,een betrekkelijk elitaire groep beter gesitueerde dames en heren die zich afzette tegen het klootjesvolk''. Men las de NRC of het Handelsblad, de Haagse Post, de Groene, men was lid van de V.P.R.O. ,,Twijfel hoorde bij het leven. In dat opzicht waren ze radicaal anders dan de gereformeerden.'' De kleine vrijzinnige beweging is volgens Blokker altijd als een ,,enzym'' in de Nederlandse samenleving geweest, rustig strevend naar openheid en tolerantie.

Politiek gezien waren de meeste vrijzinnigen liberaal. Meestal stemden ze op de Vrijzinnig Democratische Bond, de vooroorlogse variant van D66. De ouders van Verwey-Jonker gingen een stap verder en traden als student toe tot de SDAP. Die stap was volgens Blokker niet zo groot, want liefdadigheid stond hoog aangeschreven. ,,Er werd altijd schande gesproken van hoe steuntrekkers werden behandeld. Maar voor het socialisme waren ze eigenlijk te deftig. Als ze lid werden van de SDAP, waren ze toch een beetje salonsocialist.'' Hilda Verwey-Jonker zou dat altijd blijven.

Een van de invloedrijkste figuren in haar leven was haar moeder, een feministe-pur-sang. ,,Grootmoeder was allergisch voor het feit dat ze in tegenstelling tot haar broers niet mocht studeren'', zegt Lydia Snuif (55), Hilda's jongste dochter. Magdalena Elisabeth Westerveld studeerde later alsnog af in wis- en natuurkunde. Toen haar man in 1922 stierf aan kanker, zocht ze een volledige leraarsbaan om haar drie kinderen te laten studeren en in hun onderhoud te voorzien. Eerder stond ze aan de wieg van het vrouwelijke studentencorps in Amsterdam en was ze lid van de `vrouwenkiesvereniging', die streed voor het vrouwenkiesrecht. Ze stapte uiteindelijk uit de SDAP omdat ze Troelstra niet feministisch genoeg vond.

Hilda groeide op met het idee dat het vanzelfsprekend was dat vrouwen evenveel kunnen als mannen. Het bespaarde haar een gevecht om erkenning, dat ze echter om een andere reden toch moest voeren: Ze was een onderdeurtje, ze werd nooit langer dan 1.47. ,,Ze zagen in mij of een kind of een debiele volwassene'', schrijft ze in haar autobiografie. Het dreef haar al vroeg naar groepen waar ze om een andere reden dan haar uiterlijk waardering vond, zoals de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. ,,In de NJN was het veel belangrijker of je een goede `vakvrouw' was – hetgeen kon betekenen dat je veel van een bepaald onderdeel van de natuur wist, maar ook dat je handig een tent kon opzetten – dan dat je een aardig figuurtje had''.

Tijdens haar studie sociologie proeft ze even aan de Vereniging van Vrouwelijke Studenten in Leiden, maar stapt dan snel over naar de Sociaal Democratische Studentenclub. ,,Daar werd echt gepraat, daar voelde ik me thuis.'' Ze ontmoet er haar man, Evert Verwey. ,,We waren weleens samen wezen zwemmen met een groepje in de Zuiderzee.'' Ze trouwen in 1930 en krijgen twee dochters en twee zonen. ,,Moeder was heel veel weg'', zegt jongste dochter Lydia Snuif. Zoals in het milieu gebruikelijk was er wel altijd ,,een meisje'' in huis voor huishouding en opvoeding. ,,Mijn vader had ook een drukke baan, maar als hij thuis was, dan wás hij er ook'', zegt Snuif. ,,Moeder zat altijd te werken.'' Evert Verwey was jarenlang directeur van het Natuurkundig Laboratorium van Philips en stierf in 1981. In 1971 verloor ze ook een van haar zoons.

Haar belangrijkste werk deed ze in de jaren dertig, vindt Verwey-Jonker, toen ze cursussen gaf aan leden van de socialistische vrouwenbond. ,,Die vrouwen hadden kiesrecht gekregen, maar ze wisten niet wat politiek was. Ik heb daar cursussen gegeven over wat een budget was. Wat een wethouder was.'' Haar grootste politieke verdienste vindt ze dat ze in de Eerste Kamer bijdroeg aan opheffing van de Wet op de handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen.

Echt gezichtsbepalend was Hilda Verwey-Jonker nooit, niet als politica, niet als socialist en niet als feminist. Daarvoor was ze te genuanceerd, te wetenschappelijk ingesteld, te rationeel. ,,Het is niet iemand die ik ooit heb kunnen betrappen op bevlogenheid boven feitelijke kennis van zaken'', zegt Hedy d'Ancona, voormalig europarlementariër voor de PvdA. Ze heeft respect voor Verwey-Jonker als feministe, maar zag in haar geen voorbeeld. Ze hoort voor d'Ancona meer bij de eerste dan bij de tweede feministische golf. ,,Die generatie had het over het inhalen van achterstanden, ook omdat toen veel vrouwen niet tot de intellectuele elite behoorden. De tweede golf benadrukte dat vrouwen ook dingen voor hadden op mannen.''

Een zekere afstandelijkheid hoorde ook bij haar milieu en haar karakter. ,,Over gevoelens praten doet tante Hilda niet'', zegt Marjet van Zuylen. Vriendin An Thomassen: ,,Ze is zakelijk en gedecideerd. Ze heeft warme kanten, maar die toont ze niet aan een groot publiek.'' Thomassen zag van dichtbij hoe Verwey-Jonker zich in de oorlog inzette voor joodse kinderen. ,,Dat was heel gevaarlijk en daar was ze ijskoud onder. Dat vind ik zo knap. Met veel van die jongens heeft ze een band gehouden. Dat is haar warme kant.''

De Aletta Jacobsprijs is niet het eerste huldeblijk voor het werk van Verwey-Jonker. Acht jaar geleden werd in Utrecht een onderzoeksinstituut naar haar vernoemd, een samenvoeging van twee andere instituten. De naam kwam voort uit een prijsvraag onder het personeel. Een dubieuze eer, vindt Hilda Verwey-Jonker. ,,Zoiets moet pas gebeuren als je dood bent. Ik weet nog steeds niet of de eerste mensen die het bedachten wel wisten dat ik nog leefde.'' Volgens Koos Vos, toen directeur, wist men dat heel goed. De manier waarop Verwey-Jonker ,,maatschappelijke betrokkenheid'' combineerde met ,,wetenschappelijke discipline'' maakte haar naam volgens hem ideaal.

Maar voor haarzelf bleek het geen succes. ,,Mensen denken dat het mijn instituut is. Een grootvader van een sollicitant belde mij op om een goed woordje te doen. Een boze Duitse stem toen ik zei dat ik er niets mee te maken had: Das glaube ich nicht!'' Onder meer daarom voelt ze niets voor de instelling van Verwey-Jonker-leerstoelen, een recent plan van de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid. Woedend kroop ze achter de typemachine toen ze er lucht van kreeg, om vervolgens weer met nuchtere argumenten het plan te ontraden. `Tijdens mijn leven heb ik betrekkelijk weinig activiteiten ontplooid in de academische wereld', betoogde ze en suggereerde de plaatsen te vernoemen naar Marga Klompé, `die behalve onze eerste vrouwelijke minister ook een briljante scheikundige is geweest.'

Van de Aletta Jacobs-prijs geniet ze diep, weet haar jongste dochter. ,,Aan de maatschappelijke ontwikkeling ziet ze dat het nuttig is wat ze gedaan heeft'', zegt Lydia Snuif. ,,Haar kleindochters stomen allevier door naar een goede carrière.'' Voor Hilda Verwey-Jonker is de vrouwenemancipatie af.