Schat bouwt een boog van muziek

Architectuur is gestolde muziek meende Goethe. Daar stond hij nog steeds achter, liet hij 23 maart 1829 Eckermann weten: ,,De sfeer die de bouwkunst uitstraalt komt de indruk die de muziek maakt nabij.'' Bouwwerken van allerlei aard inspireerden componisten. Om slechts enkele voorbeelden te noemen: de Deen Paul Ruders raakte gecharmeerd van het silhouet van Manhattan, de Amerikaanse Joan la Barbara portretteerde de haven van Vlissingen, en de Nederlanders Tristan Keuris en Rob Zuidam componeerden een eerbetoon aan machtige bruggen. Daar komt nu Peter Schats opus 44 bij: Arch music for St. Louis uit 1997, zaterdag in de Matinee in het Concertgebouw in een gloedvolle Nederlandse première gebracht door het Radio Filharmonisch Orkest en Hans Vonk, dirigent te St. Louis, aan wie het werk is opgedragen.

Boden Keuris en Zuidam via een omweg door de toonzetting van gedichten hun muzikale impressies, Guillaume Dufay ging veel verder in zijn motet Nuper rosarum flores gecomponeerd voor de inwijding van de Dom in Florence op 25 maart 1436. Daarin volgde hij strikt het bouwplan, al is deze opvatting enigszins omstreden.

Schat neemt een tussenpositie in, een vrije impressie is het niet en van een gemeenschappelijke blauwdruk is evenmin sprake. Globaal volgt hij een reis binnen de metalen, holle Gateway Arch om daar de top te bereiken; de reusachtige parabool dient als overspanning over een van de invalswegen aan de oever van de Mississippi en fungeert tevens als het beeldmerk van de stad.

In een hectisch consequent syncopisch Allegro suggereert Schat een opklimmende beweging met energieke koperblazers en hoorns, later vooral met de saxofoons in een prominente rol waartegen de strijkers lange lijnen trekken. De rollen worden ook omgedraaid. Op het hoogste punt slaat in een Adagio de sfeer radicaal om in een meditatie over het panorama hoog boven de glinsterende rivier en de mierendrukte van de stad. Dit resulteert in een vredig verstild droombeeld met soli van de voor de componist meest `bezielde' instrumenten, respectievelijk viool, altviool en cello. Vervolgens symboliseert de mechanische beweging van het begin de afdaling met een blue note in de vioolsolo als zachte landing. Binnen een klein kwartier heeft deze fraai geïnstrumenteerde fantasie zijn beslag gekregen in de tegenstelling van scherzo (karakter machine) versus trio (menselijk karakter).

Ravels Pianoconcert in G hield in adembenemend snel tempo het idee van de machine nog even vast. Michel Dalberto is een rasvirtuoos; geen zee gaat hem te hoog. Maar hoe technisch hij ook uitgerust is, een ideale solist voor juist dit elegante werk dat noten sproeit – licht en luchtig, sierlijk en speels – is hij niet. Ravel wilde niet voor niets het concert aanvankelijk `divertissement' noemen. Dalberto tast stevig in de toetsen en koestert in een dramatiserend rubato een meer Duitse expressiviteit; Ravels pathetischer Concert voor de linkerhand zal hem ongetwijfeld beter afgaan, want dát kan donderende basnoten heel goed gebruiken.

Sibelius' Vijfde symfonie, zijn lichtste, is noch te vergelijken met een bouwwerk van staal, noch met een sierlijke fontein. Hier spreekt de Finse weidse natuur, en nu was de toon perfect, licht idyllisch en tintelend fris.

Concert: Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Hans Vonk met Michel Dalberto (piano), werken van Schat, Ravel en Sibelius. Gehoord: 4/3 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4 8/3 20.02 uur; tv Ned. 3 26/3 13 uur.