Prijs op aanvraag

Het zaaltje van Blake's hotel, gestyled in zwart-wit en oud eikenhout, kraakte van de kunstschatten. Zes tophandelaren hadden een topstuk meegebracht als voorproefje van de Tefaf, de topbeurs in kunst en antiek die volgende week in Maastricht begint. De persconferentie vond plaats in een sfeer van luxe, kalmte en genot, kunstgenot wel te verstaan – al waren de hapjes ook niet te versmaden. De pers, niet erg talrijk of kritisch, maakte een opgedofte indruk.

al. 6 regel 5/6: Ach mevrouw, dat kunt u toch niet betalen.

al. 9 en 10, regel 6 en 1: have-nots

De Tefaf beroemt zich erop uitsluitend het beste te bieden. Handelaren worden streng geballoteerd, en alles wat zij meenemen wordt vooraf gekeurd door een commissie van experts. Daarover ging de interessantste vraag in het zaaltje bij Blake's: hoeveel objecten zullen er zijn? Zo'n tienduizend, dacht men. Hoeveel tijd heeft het vetting committee om ze te bestuderen? Eén dag. Hm, zei de vragensteller veelbetekenend, en de snelle toevoeging dat er meer dan honderd experts zijn, bevredigde hem duidelijk niet helemaal.

Wat we ons bij die keuring moeten voorstellen wordt duidelijk in de catalogus, een pil van bijna vier kilo, waarin de vetting guidelines staan afgedrukt, geïllustreerd met foto's van de experts aan het werk. Tussen de turende heren in donkere pakken is Frits Duparc te herkennen, de directeur van het Mauritshuis. Topexperts zijn het, duidelijk.

Wie ervan houdt is overigens wel een avondje zoet met die catalogus, vol topafbeeldingen van topkunst. Diverse Kees van Dongens – veelgevraagd momenteel –, een Frans Hals en een Pissarro staan er in. Verder Franse meubels, Duitse panelen, Chinese beeldjes, Brusselse tapijten, Italiaanse majolica, Weense galanterieën, Egyptische oudheden, brieven van Einstein en nog veel meer: het zal allemaal in Maastricht te koop zijn.

Maar voor hoeveel? Dat, lezer, mag u niet weten. Het heet wel een catalogus, maar slechts enkele van de 193 deelnemers vermelden prijzen. Zoals Loek Brons, die niet kinderachtig is en voor zijn Van Dongens tussen de vier en vijf ton vraagt. En een New-Yorkse dealer die voor het eerst komt, maar wel meteen met een stilleven van Chardin: 1,5 miljoen dollar. Ook is er een leuk bronzen paardje voor in de tuin: 195.000 Engelse ponden.

De rest, op een paar na, hult zich in stilzwijgen. Price on request is het devies, en dat blijft zo als de beurs open is. Hier, op het trefpunt van oud en nouveau riche, van kunst en geld, in een land waar iedere kapper en elke schoenwinkelier verplicht is zijn prijzen te openbaren, hoeft niemand hardop te zeggen wat zijn koopwaar kost. (Ach mevrouw, dat kunt u toch niet betalen.)

Je komt er uiteindelijk wel achter. Mailtjes naar New York, Londen en Wenen leverden mij diverse ronde getallen op, met beleefde aanbevelingen. Alleen een Parijse dealer geeft geen krimp, zodat ik nog steeds niet weet of ik voor zijn piepkleine Vuillard nu mijn huis zou moeten verkopen, of kan volstaan met een verhoging van de hypotheek. Niet dat ik het doe: maar waarom gunnen ze mij en de rest van de eenvoudige kunstliefhebbers nu niet dat simpele genoegen: te weten hóé onbereikbaar precies al die schatten zijn?

Een handelaar die ik hierover aansprak prevelde vroom dat het is ,,om de koper te beschermen'' – tegen alles behalve hemzelf dan toch. Zelf wil hij misschien, voor hij een prijs noemt, even kijken hoe duur de snit van 's kopers jas is – zoveel discretie is vragen om argwaan.

Veilingprijzen gaan voor een beurs als de Tefaf met gemak tien keer over de kop. Iedereen kan die veilingprijzen ook opvragen als hij weet waar hij moet zoeken, zo goed als hij kan achterhalen wat een museum voor zijn nieuwste aanwinst heeft betaald. Zo hoort het ook. Behalve deftigdoenerij is de geheimzinnigheid dus ook gewoon pesten. Om de have-nots op hun plaats te houden.

Maar de have-nots denken er toch het hunne van, in een tijd waarin het geld makkelijker rolt dan ooit. De kunsthandel haalt wel eens rare dingen uit, net als de bestuurders en regenten die er kopen. Zou het niet, behalve vriendelijker, ook verstandiger zijn om met nuchtere cijfers te onderbouwen dat ik mij die Vuillard nooit zou kunnen permitteren?