Kluik

`Heimwee is maar flauwekul', schrijft de Let Zachar Pfeffermann in zijn Aantekeningen vanuit een verduisterde ruimte. `Is men in Tallin, dan verlangt men naar Riga, en is men in Riga, dan zou men weer een fortuin geven voor een half vaatje ingelegde vis van die onvolprezen visboer op de Graanmarkt in Tallin. Heimwee is iets voor gemankeerde dichters en jongejuffrouwen; een beetje kerel stelt zich ertegen teweer.'

Ik ben het met hem eens, maar wil er toch bij aantekenen dat er misschien een uitzondering gemaakt mag worden voor wie buitenslands ziek of althans niet in orde is. Dan valt men sneller aan heimwee ten prooi dan anders. Ik heb daar onlangs een paar staaltjes van meegemaakt.

Het begon al in de ambulance. ,,Do you know what year it is? Can you tell me who our president is?'' roept de ziekenbroeder, die telkens hinderlijk met een lampje in mijn ogen schijnt. Our president? Niks my president. Ik wil Wim Kok. Nooit geweten dat die in mij zo'n loyaal aanhanger had. Maar ik hoor mijzelf braaf de goede antwoorden geven, want iets in zijn gezicht zegt me dat dat in mijn eigen belang is. ,,Het is 1962 en the president is JF Kennedy'', zeg ik tegen mijn man. ,,Of nee, het is 2008 en the president is Hillary Clinton.'' Hij vindt het echter geen leuk grapje of hij verstaat mij niet, want hij heeft al eerder gezegd dat ik een beetje raar praat; in ieder geval zit hij steeds met een ernstig gezicht over mijn arm te strijken of hij zegt dat wij er nu bijna zijn, alsof ik soms haast heb.

Het ziekenhuis bevalt mij helemaal niet. Niet alleen moet ik almaar figuren in witte jassen zo hard als ik kan in hun vingers knijpen, tegen hun schoenzolen schoppen of hun hand wegduwen (,,I'm going to lift your hand, ma'am, but don't let me do it! Push your hand back.'' Laat die hand dan gewoon liggen, man!), maar ook mag ik niet douchen.

,,I'm going to take a shower'', kondig ik middenin de nacht aan, als er een verpleegster mijn kamer binnenkomt. ,,You're taking no shower at all!'' briest ze. Omdat het een kolossale zwarte vrouw is, die eruit ziet alsof ze met gemak Anton Geesink zou vloeren, bind ik in, maar wel wil ik weten waarom dan niet. Nou, dat is toch duidelijk? Ik draag een monitor op mijn hart en die mag niet nat worden. Ze zijn in het Roosevelt-hospital zuinig op hun dure spullen. Of de patiënten vies in bed liggen is van minder belang. Ook draag ik steeds maar een vreemd, wit jak met blauwe bloemetjes, waar ik het helemaal niet mee eens ben, net zomin als met het hele idee van de zogenaamde `stroke' die iedereen me wil aanpraten. ,,Wat een zootje vechtjassen en smeerpoetsen hier'', mopper ik tegen mijn man. Maar hij zegt dat het hier echt hele capabele mensen zijn, en langzamerhand begint het besef door te dringen dat anderen momenteel wellicht een helderder kijk op de werkelijkheid hebben dan ikzelf. Een dag later al wil ik best geloven dat de beurse plekken op mijn armen en benen niet veroorzaakt zijn door het personeel met zijn manie van kicking, pushing and squeezing, maar door de val die ik gemaakt heb ten gevolge van die rottige beroerte, die toch echt een feit schijnt te zijn.

Na een paar dagen zit ik thuis op de bank en zeg tegen mijn zoon: ,,Ga jij eens een kruik voor mij kopen, ik heb zulke koude benen. Zo'n rubberen kruik.''

,,Zeg dan eens: rubberen kruik'', dringt hij aan, en ik zeg het, denk althans dat ik het zeg, maar nog dagen daarna word ik 's ochtends begroet met de uitroep: ,,Hai lubbele kluik, lekker geslapen?'' Want niets leuker dan je vermaken met de geestelijk gehandicapte medemens. In elk geval blijkt nu de voordeelzijde van de stroke. In plaats van op mijn verzoek te antwoorden: doe het zelf, of: ja, straks, begeeft mijn zoon zich onmiddellijk op weg en een half uur later komt hij binnen met een knalroze plastic kruik, zo glad als een hondenbuikje. Maar zie, daar slaat het heimwee toe in de vorm van een hevige aanval van `bei-uns-ist-alles-besser'.

,,Waarom heeft hij geen ribbeltjes?'' klaag ik. ,,In Nederland heeft een kruik allemaal van die ribbeltjes.'' ,,Waar maak je je druk om'', vraagt mijn zoon, die de kruik intussen heeft gevuld. ,,Hij is toch lekker warm?'' Maar mijn ontevredenheid kent geen grenzen. Ik wil ribbeltjes voor mijn geld, en dram nog een tijdje door, totdat mijn zoon roept: ,,Hou nou eens op met je libbeltjes!''

Dat doe ik tenslotte dan maar. Wij schakelen over op melige grappen (`In Nederland zeggen ze nu: 't Is ook geen wonder, het waren altijd al van die beroerde boeken die ze schreef') en ik begin gezellig een schoteltje aardbeien over mijn trui te morsen.

Weer een paar dagen later ben ik die dubbele tong als bij toverslag kwijt, ik kan weer keurig de `r' zeggen, en ik zit, naast mijn man, in een kliniek tegenover mijn stroke-specialist, die wetenswaardigheden vertelt over strokes in het algemeen en die van mij in het bijzonder. Eerst zegt hij dat het wel een jaar kan duren voordat ik weer de oude ben, maar dan tekent hij een ei op een vel papier en zegt dat dat een klok is. Wil ik nu eens netjes de uren op die klok intekenen? Aangezien ik met succes de lagere school doorlopen heb, lukt dat uitstekend. De dokter is onder de indruk en komt prompt op zijn woorden terug. Bij iemand die zulke mooie klokken kan tekenen, duurt het waarschijnlijk maar een half jaar! Ik vind dit nog een half jaar te lang, maar hij roept: ,,But you have to fight for it! Do you promise me?'' Ik zit zoet te knikken, maar dat blijkt niet genoeg. Nee, ik moet hem ter bezegeling plechtig en krachtig de hand schudden. ,,And I'm gonna fight with you!'' zegt hij. ,,Together we're gonna fight for it!'' ,,O, daar gaan we weer op z'n Amerikaans'', zeg ik in het Nederlands tegen mijn echtgenoot, ,,die man kent mij amper en nu wil hij al meteen met mij samen vechten.'' Mijn man begint mijn boosaardige gemonkel echter in diplomatieke termen te vertalen. Ik verneem dat ik `a little sad' en `worried' ben, omdat ik net aan een nieuw boek bezig was en nu vrees dat boek wel op mijn buik te kunnen schrijven. O, dat boek hoef ik slechts een maandje of wat te vergeten, meent de dokter blijmoedig. By the way, what kind of novels zijn het die ik schrijf? Normaal gesproken brengt deze vraag mij in grote verwarring, maar nu eens niet. ,,Dutch novels'', zeg ik en ik ben buitengewoon ingenomen met dat antwoord. Dutch novels, het klinkt misschien wat zuinigjes, maar wat een doeltreffende omschrijving! Ook de dokter zit geestdriftig te knikken, alsof de Dutch novel een genre is waarover hij al menig interessant artikel gelezen heeft. Onthouden, denk ik bij mezelf.

De dagen daarop laat het heimwee me aardig met rust. Zo'n gemankeerde dichter of verwende jongejuffrouw ben ik kennelijk nog niet. Er zijn twee uitzonderingen. Eén keer zie ik glashelder het interieur van melkhandel Dierks aan het Amstelveld voor me, compleet met melkboer Dierks zelf – sigaar op de lip – en ik wil ineens niets liever dan daar vanmiddag naartoe, in plaats van naar mijn luxe deli op Broadway. Niet voor een half vaatje ingelegde vis, maar voor zes eieren uit zijn glazen eierbokaal.

De tweede keer komt harder aan. Ik haal een jasje uit mijn klerenkast en zie dat er nog een paar haren op kleven van Flip, mijn allerliefste rode kater, die nog in Amsterdam woont. Ja, ik weet het: Pfeffermann keurt de dikke tranen, die nu mijn hals inrollen, af.

Hij vliegt de lucht maar in!