Haenchen is eigenzinnig in jonge Mahler

Hartmut Haenchen dirigeert dezer dagen als onderdeel van zijn drie jaar in beslag nemende complete Mahlercyclus op opzienbarende wijze de Nederlandse première van de oerversie van Mahlers Das klagende Lied, 120 jaar na het ontstaan en 94 jaar nadat Mahler zelf zijn gereviseerde en tot twee delen bekorte versie in Amsterdam dirigeerde. Het manuscript van het eerste deel kwam in de jaren '30 tevoorschijn, de manuscripten van de laatste twee delen pas in de jaren '90.

Eind 1997 kreeg die complete oerversie zijn wereldpremière in Manchester, destijds in deze krant uitvoerig beschreven. Het is een driedelige versie die Mahler zelf nooit heeft gehoord. Want zijn enorme `Opus 1', dat hij in 1880 als twintigjarige voltooide, werd door de muzikale autoriteiten van destijds afgewezen. En niet alleen vanwege de onhandig grote solistenbezetting die deze versie eist: er staan bij Haenchen twaalf zangers op het podium, acht meer dan bij de totnutoe gebruikelijke versies.

Pierre Boulez, die al in 1970 een plaatopname maakte met het originele deel 1 en de gereviseerde delen 2 en 3, noemt Das klagende Lied het fundament onder het oeuvre van Mahler. Al het – deels revolutionair – muzikale dat hij later zou uitbouwen, zat er in essentie al in. Maar ook Mahlers fascinatie voor dood en herleven, voor de eeuwige levenscycli van mens en natuur, zoals die met zoveel woorden ook wordt bezongen aan het slot van Das Lied von der Erde, dertig jaar later gecomponeerd.

Mahler schreef zelf de middeleeuws aandoende balladetekst over twee broers, die het bos intrekken, op zoek naar een bloem, die de bezitter ervan het recht geeft met de koningin te trouwen. De ene broer doodt de andere en trouwt de koningin. Op het huwelijksfeest verschijnt een minstreel die speelt op een fluit, gemaakt van een van de knoken van de dode broer. De fluit klaagt de bruidegom aan en het feestende kasteel zakt in elkaar.

Het bijzondere aan de uitvoering van Haenchen ligt niet eens zozeer in de vele vaak opmerkelijke verschillen tussen de oerversie en de gereviseerde versie van de laatste twee delen. Het uitzonderlijke is dat Haenchen het stuk niet behandelt als een overmoedig jeugdwerk dat met zorg en beleid in goede banen moet worden geleid. Haenchen neemt de jonge Mahler volkomen serieus en dirigeert het met een onstuimigheid en een rijkdom aan klankkleuren alsof het een Nachtstück is uit de Zevende symfonie (1905). De jonge Mahler keek rond 1880 inderdaad ver vooruit: bij de eerste inzet van de fluit ontstaat daar al een vervreemdend klankveldje, een 20ste-eeuwse muzikale verworvenheid.

De directe beeldende kracht van deze versie is in deze felle, schrille uitvoering aangrijpend, de passages waarin het klagen van de fluit wordt gezongen door een jongensalt en een onwaarschijnlijk hoge jongenssopraan gaan door merg en been, elders klinken donderdend doffe doodklappen. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt met grote inzet, de volwassen solisten zijn goed tot zeer bevredigend, vooral de alt Birgit Remmert, de sopraan Angela Denoke, de tenor Christian Elsner en de bariton Jochen Kupfer.

Haenchen is de laatste tijd wel zeer op dreef. Mahlers Eerste symfonie, waarmee hij zijn cyclus opende, eindigde op tomeloze wijze in een tumultueus flitsende finale. Wagners Die Meistersinger von Nürnberg dirigeerde hij vorige maand in het Muziektheater met ongekende vaart en lichtheid. En in Das klagende Lied, met die impulsieve gedrevenheid, enorme extravertheid, scherpe contrasten en ruige reliëfs, overtreft Haenchen in opwindendheid alle uitvoeringen die ik ooit van dit werk hoorde, op de plaat en in de concertzaal.Bij Boulez klinkt deze Mahler in de gebruikelijke versie streng en keurig geordend, bij Rattle indrukwekkend, maar bij Haenchen is de jonge Mahler heftig, wild en woest. Deze uitvoering is veel beter, eigenzinniger en interessanter dan destijds de wereldpremière onder leiding van Kent Nagano en de plaatopname die hij maakte (Erato 3984-21664-2).

Van de live-opnamen van de Amsterdamse concerten zal een cd worden uitgebracht.