De jongens

De apparatuur op de hartbewaking piept en flitst zonder ophouden. ,,Maakt u zich geen zorgen, mevrouw'', zegt de cardioloog, ,,voor zijn leeftijd is uw man in uitstekende conditie.'' Ik doe bovenmenselijke pogingen om me geen zorgen te maken, vooral 's nachts. Overdag rijd ik op en neer naar het ziekenhuis.

Na twee dagen mag hij op zaal. Daar ligt hij met drie andere heren op leeftijd, aan wie hij fluisterend refereert als `de jongens'.

De jongens delen een indrukwekkend aantal kwalen, waarover ze graag samen spreken, evenals over het eten, de medicijnen en sport op televisie. Als ik na het bezoekuur wat blijf zitten, kijkt hij onrustig langs mij heen. Ik ben hier te veel. Ze willen weer onder ons zijn.

Binnenkort mag hij naar huis. Dan begint het gewone leven. Zonder al die apparaten, zonder de veilige aandacht van de verpleging en zonder de jongens.