Dario Fo verslaat Gioacchini Rossini

In het volgende seizoen herhaalt de Nederlandse Opera voor de zoveelste keer Dario Fo's succesvolle enscenering van Rossini's Il barbiere di Siviglia, een voorstelling uit 1987 die ook in een aantal buitenlandse theaters was te zien. Nu gaat voor het eerst een reprise van Fo's andere Amsterdamse Rossini-productie: L'Italiana in Algeri uit 1995. De voorstelling werd ingestudeerd door Arturo Corso, maar Fo, inmiddels gelauwerd met een Nobelprijs, kwam de laatste week assisteren.

Zaterdagavond stond Fo tijdens het applaus na de eerste voorstelling weer op het podium van het Muziektheater, breed glunderend tussen de zangers en de talrijke figuranten die zijn wonderlijk bruisende `theater van de lach' voortreffelijk gedoseerd opvrolijken in talloze gedaanten van mens, commedia dell'arte-figuur, steltloper en dier: kameel, aap, leeuw, struisvogel en giraf. Vaak is er een overstelpende drukte, soms is er verstilde eenvoud, zoals in de scène waarin Lindoro zwiert met een paspop die in de lucht verdwijnt.

De vorige keer vond ik de enscenering van L'Italiana in Algeri nog leuker, aardiger, spiritueler, overrompelender en hilarischer dan die van Il barbiere di Siviglia. Maar deze keer was ik daarvan niet meer helemaal overtuigd. Dat ligt waarschijnlijk toch vooral aan Rossini zelf: Il barbiere (1816) is gewoon een veel aantrekkelijker opera dan L'Italiana (1813).

Het verhaaltje van L'Italiana is niet eens gedateerd: zelfbewuste Italiaanse vrouw Isabella met feministische inslag leert Algerijnse man en vrouw hoe zich volgens westerse normen te gedragen in het huwelijk. Helaas zijn er nauwelijks verwikkelingen, elke dramatische spanning ontbreekt en de Barbiere-muziek is zóveel beter.

Maar wie deze enscenering nog niet eerder zag, wordt door de theatertovenaar Fo erg afgeleid. Hij weet juist in de L'Italiana begin en slot beter met elkaar te verbinden dan in de Barbiere. Beide scènes spelen op de Middellandse Zee tussen Italië en Afrika. Aan het slot, als Afrika netjes is opgevoed en àl te paradijselijk is, vertrekken de wilde dieren per boot – een nieuwe ark van Noach – naar Italië. Sindsdien is het daar een jungle, in de visie van Fo, die ook op vernietigende wijze de spot drijft met de beweging Forza Italia van Berlusconi, de azuren voetballers en de Italiaanse wielrenners.

Van de oorspronkelijke cast is alleen nog Peter Rose (Mustafà) over, opnieuw zeer geestig in de Pappataci-scène met zijn `chicken tonight'-act. De hoge tenor Juan José Lopera (Lindoro) en de mezzo Monica Bacelli (Isabella) voldoen goed zonder overigens de absolute top in dit buitengewoon veeleisende repertoire te bereiken, terwijl de sopraan Annamaria Dell'oste (Elvira) in ensembles zeer krachtig zingt. Julian Reynolds is de opvolger van de `authentieke' Rossini-specialist maestro Alberto Zedda, die vooral zachte en intieme klanken aan het Nederlands Kamerorkest ontlokte. Reynolds doet het goed, maar iets conventioneler.

Voorstelling: L'Italiana in Algeri van G. Rossini door de Nederlandse Opera en Ned. Kamerorkest o.l.v. Julian Reynolds m.m.v. o.a. Monica Bacelli, Juan José Lopera, Peter Rose, Annamaria Dell'oste, Roberto de Candia, Silvia Tro Santafé en Umberto Chiummo. Decor, kostuums en regie: Dario Fo. Gezien: 4/3 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 25/3.