Beiroet bij nacht

De jongen op de achterbank draagt een sweater van GAP, het meisje naast hem een donkere blazer van, schat ik, Armani en Zeina, die de Alfa-Romeo bestuurt, heeft een teer uitziend zijden gewaad aan zoals je ze tegenkomt in de Indiase boetiekjes van Londen.

Het gesprek op de achterbank gaat over `American Beauty' en of al die oscarnominaties verdiend zijn. De jongen vindt van wel, het Armani-meisje vindt `Ice Storm' van Ang Lee (`ook zo'n tragikomedie over de angsten en driften van de petty-bourgeoisie') eindeloos beter.

Of ze racisme suggereert, vraagt de jongen fel, omdat Ang Lee een Taiwanees is en Sam Mendes van `American Beauty' blank, waarop het meisje koeltjes antwoordt dat Ang Lee filmisch denkt en Sam Mendes niet meer is dan een toneelregisseur.

Uit de speakers van de Alfa-Romeo klinkt zachtjes Latijns-Amerikaanse muziek, ik herken

`Frio Frio' van Juan Luis Guerra, en ik begin me behoorlijk belazerd te voelen. Want ik zit verdomme wel in Beiroet en niet in Amsterdam, Parijs of Milaan.

Wat had ik dan verwacht? Ik zal het zeggen: jongeren in simpele, liefst afgedragen t-shirts die met koortsige ogen de Jihad bepleiten tegen het vervloekte Israel dat hen twee weken geleden heeft gebombardeerd. Ik verwachtte posters op de muren van Khomeiny en Assad, ik verwachtte moskeeën met luidkeelse oproepen tot gebed, ik verwachtte moslimwoede en jodenhaat en slums en krijgers van Hezbollah.

Maar deze Libanezen, door wie ik mij op sleeptouw heb laten nemen, geven mij een beeld dat je in onze kranten niet tegenkomt. De GAP-jongen studeerde Art & Design in New York en is nu scenario-schrijver, het Armani-meisje is fotograaf en Zeina deed letteren in Parijs en staat aan het hoofd van een groep kunstenaars die een ander beeld van de Arabische wereld proberen te geven – of te vinden, maar daarover zal het gesprek de rest van de avond gaan.

Zeina stopt midden op straat, stapt uit en overhandigt de sleutel aan een toegesnelde man in uniform die de auto zal parkeren. We gaan een café binnen met hoge zuilen en een beschilderd plafond. Het is nog niet druk, want pas negen uur 's avonds. Uit de geluidsboxen klinkt lichte jazz en funk. Zeina bestelt een dubbele whisky, het Armani-meisje wil een margarita en de jongen neemt rode wijn. Ik leg ze mijn verwarring voor, ik beschrijf ze mijn verwachtingen en ze amuseren zich kostelijk. ,,Jouw beeld is volledig gevormd door jullie Midden-Oostencorrespondenten, die altijd weer de verschrikkingen en extremen opzoeken en nooit laten zien dat er ook een gewone kant is aan het leven in de Arabische wereld,'' zegt Zeina.

Ik verdedig onze correspondenten: dit is toch geen gewone kant? Dit is het andere extreem van het mondaine leven met Armani's en margarita's, wat is er Arabisch aan?

`Tja', zegt de jongen, `wat is Arabisch'?

Schaakmat. Ze hebben er duidelijk langer over nagedacht dan ik, en als ik ze vertel wat ik denk dat Arabisch is zullen ze mijn bronnen opsporen en daar met het grootste gemak de vloer mee aanvegen: ,,Jouw beeld'', zal de jongen later op de avond tegen mij zeggen, ,,is volledig gebaseerd op de informatie van Westerse waarnemers.''

Kijk eens aan, het is Edward Saids `Oriëntalisme' weer: Westerlingen beschreven Oosterlingen en ze legden in die beschrijving de vooroordelen vast, waar de Oosterlingen zich vervolgens naar moesten gedragen. Erotische buikdanseressen en waterpijpen, een gewelddadig geloof en feodale verhoudingen tussen licht ontvlambare, kinderlijke mensen die sturing en gezag nodig hadden; van Westerlingen uiteraard.

Ik ken mijn Said en vraag aan mijn tafelgenoten welk beeld zij van de Arabische wereld zouden willen geven. Ik heb eerder op de avond een fotoboek ingekeken die de groep van Zeina heeft geproduceerd, met als titel `Looking at one's Self', waarin platen zijn opgenomen van de Egyptische pyramides met op de voorgrond een blinkende Amerikaanse auto. En een portret van een knappe Arabische jongen die een Duitse soldatenhelm op heeft. Vrouwen in Syrië die langzaam en wazig hun sluier afdoen.

Jullie versterken het beeld dat Westerlingen jullie hebben opgelegd, hoor ik mezelf beweren, waarop Zeina en haar vrienden heftig door elkaar sprekend ongeveer het volgende antwoorden: ,,We geven het Westen hun eigen beelden terug, op een vervormde manier. We kennen hun vooroordelen, maar we nemen ze nu in eigen hand.''

Als het zo druk is geworden dat wij elkaar amper kunnen verstaan stelt Nazek, de GAP-jongen, voor naar zijn huis te gaan. Onderweg bezoeken we nog drie andere gelegenheden, waaronder een homo-disco. Allemaal even druk, levendig, werelds en, ja, ik begin het te geloven: heel gewoon in Beiroet.

Om drie uur in de ochtend zijn we thuis bij Nazek. Een appartement op de achttiende verdieping met uitzicht op de stad en de zee. Marmeren vloer, marmeren muren, een eettafel van twaalf meter en een inwonende Filippijnse bediende die op de hond past als Nazek op reis gaat. Zijn vader is zakenman in New York, Zeina's ouders zijn juristen in Parijs, de gehele Libaneze bourgeoisie vluchtte naar het Westen toen in Beiroet de burgeroorlog uitbrak. Een voor een keerden de kinderen terug, om hun wortels te zoeken, hun Arabische identiteit te verkennen.

Arabisch minus Islam, wel te verstaan, want ze zijn diepovertuigde atheïsten. `Wat heeft godsdienst ons gebracht, behalve ellende en bloedvergieten', zegt Zeina, terwijl we plaats nemen op het weelderige tapijt en de ronde kussens. Op haar achtste was ze met haar vader op het strand, toen ze in haar been werd geschoten door een sluipschutter. Ze heeft daarna jaren geslaapwandeld en toen twee weken geleden de bommen weer vielen kreeg ze iets van haar trauma terug. `Maar anderen hebben erger meegemaakt' verzucht ze.

Nazek heeft intussen een hasjpijp aangestoken. De zware geur vult de koele kamer, het Armani-meisje danst rond de eettafel op Arabische muziek, de lichten van Beiroet doven en de zon komt langzaam op. Ik vraag me af wat Edward Said van deze nacht zou denken.