Zaak-Pinochet is uiteindelijk winst voor de internationale rechtsorde

Aan de zaak-Pinochet kwam donderdag een voorlopig einde. Voorlopig, want hoe het in Chili verder zal gaan, staat geenszins vast. Wel is al duidelijk dat deze zaak haar sporen nalaat in de internationale rechtsorde. Een troost, maar wel een schrale, vindt Willem van Genugten.

Wie donderdag met één oog het nieuws heeft gezien en voor het overige heeft volstaan met het snellen van krantenkoppen, kan de terugkeer van Pinochet naar Chili makkelijk afdoen als een nederlaag voor het recht (`verdachte vrijuit, einde verhaal'). Zo'n conclusie doet echter afbreuk aan de principiële betekenis van de zaak, aan de elementen daaruit die de persoon van Pinochet verre overstijgen. Om die kant van de zaak naar waarde te kunnen schatten is het goed terug te gaan naar de uitspraak van de Britse Law Lords van maart vorig jaar, waarin zij met 6 tegen 1 beslisten dat Pinochet mocht worden uitgeleverd. Bij het oordeel dat de rechters zich over de grondslag van het uitleveringsverzoek dienden te vormen, ging het feitelijk om twee vragen: is bij de zaken waarvan Pinochet wordt beschuldigd sprake van `universele jurisdictie' waarbij als het ware elke folteraar te allen tijde door welk land dan ook mag worden vervolgd en kunnen de regels van de staatsimmuniteit worden aangewend om zelfs voor zaken als foltering strafrechtelijke aansprakelijkheid te ontlopen?

Voor de Law Lords staat vast dat martelen behoort tot de kernvergrijpen tegen de internationale rechtsorde (`international crimes in the highest sense'), en dat in feite elke staat deze daders mag, en volgens een enkele Lord, moet vervolgen. De daders zijn immers `common enemies of all mankind' en alle staten hebben `an equal interest in their apprehension and prosecution'. In dat licht mag het misschien verbazen dat de Lords uiteindelijk hebben gekozen voor een enge uitleg van het begrip `universele jurisdictie', door uitlevering alleen toe te staan voor die vergrijpen die hebben plaatsgevonden nadat in de drie betrokken staten (Chili, Spanje, en het Verenigd Koninkrijk) het VN-anti-folterverdrag eind 1988 van kracht is geworden. Alle daden van vóór die datum moesten worden geschrapt. De rechters hebben daarmee gekozen voor een enge uitleg van het begrip `universele jurisdictie' en daarmee in zekere zin gekozen voor de `veilige weg'.

Eigenlijk was er maar één Law Lord die verder ging: Lord Millett. Wat hem betreft had Pinochet mogen worden uitgeleverd voor álle gevallen van foltering `wherever and whenever carried out'. Door zo te redeneren heeft Lord Millett, anders dan de meerderheid, een opening gegeven in de richting van een ruimhartiger gebruik van het begrip `universele jurisdictie', en het zou niet de eerste keer zijn indien in de toekomst vanuit een dergelijk minderheidsstandpunt nieuw recht oprijst: wat vandaag nog een `dissenting opinion' is, kan morgen een meerderheidsstandpunt zijn. Overigens is er, vanuit een wat meer conservatief standpunt, sowieso iets te zeggen voor de verdragsrechtelijke, `veilige route': internationaal recht bestaat bij de gratie van instemming van de gemeenschap van staten en al te veel zaken regelen buiten die instemming om kan gemakkelijk leiden tot erosie. Het is een respectabel standpunt, zij het dat voor mij de keerzijde ervan overweegt: tot in het oneindige vasthouden aan het instemmingsbeginsel betekent dat staten die zich niet verdragsrechtelijk binden vrijuit zouden gaan en dat lijkt in zaken als die waarvan Pinochet wordt beschuldigd, een onacceptabel alternatief.

De tweede kwestie: kan een (voormalig) staatshoofd zich beroepen op immuniteit tegen strafrechtelijke vervolging, zelfs voor daden die strijdig zijn met dwingendrechtelijke, `hogere' standaarden binnen het geldende internationale recht zoals het folterverbod. De Law Lords hebben zich onder meer gebogen over de vraag of martelpraktijken onder extreme omstandigheden zouden kunnen behoren tot de staatstaken, bijvoorbeeld in de strijd tegen terrorisme. Maar, om met Lord Browne-Wilkinson te spreken, zo'n gedachtengang `produces bizarre results'. Eigenlijk was aan het einde van de beraadslagingen maar één Lord bereid de grenzen van de staatsimmuniteit zo ver op te rekken dat Pinochet's daden daaronder zouden vallen, dat alles mede gemotiveerd vanuit de gedachte dat het moeilijk is een adequaat onderscheid te maken tussen gewone strafbare feiten waarvoor immuniteit wel, en zwaardere strafbare feiten waarvoor immuniteit niet geldt.

Bovendien stelde hij, samen met enkele mede-Lords, dat staten in beginsel immuniteit kunnen claimen, maar daarvan ook nadrukkelijk afstand kunnen doen (`waiver of immunity'). Dat laatste zou in dit geval nodig zijn om het Verenigd Koninkrijk jurisdictie te bezorgen. Het kan nauwelijks verbazen dat deze redenering tegen het zere been was van Lord Millett, die als door een adder gebeten over dergelijke opvattingen noteert dat hij ze `out of hand' verwerpt, en dat ze niet alleen vergezocht maar ook absoluut in strijd met het geldende internationale recht zijn. En gelijk heeft hij.

Bij de ontwikkeling van het internationale (straf)recht gaat het bij voortduring om het stellen van nieuwe begrenzingen aan misbruik van macht. En interessant is dan te zien hoe dat in dit ene concreet geval gebeurt, door een respectabel gezelschap dat tegelijkertijd niet als zeer progressief bekend staat en dat bovendien opereert in een land met een dualistisch systeem, een land derhalve waarin het internationale recht niet onmiddellijk doorwerkt, maar transformatie in nationale wetgeving behoeft voordat het van kracht wordt.

Wie de opinies van de zeven Law Lords doorneemt kan zich vaak niet onttrekken aan de indruk dat zij eigenlijk hadden willen vasthouden aan het oude, en nogal altijd relevante ankerpunt: een gemaximaliseerde invulling van het concept van de statelijke soevereiniteit, met `universele jurisdictie' en `afstand van staatsimmuniteit' als fenomenen die pas in beeld komen nadat staten nadrukkelijk partij zijn geworden bij relevante verdragen, respectievelijk van hun primaire rechten afstand hebben gedaan. Met frisse tegenzin hebben zij het onontkoombare aanvaard, zo lijkt het. Dat geeft hun uitspraak des te meer cachet.

En toen was de politiek weer aan het woord, in de persoon van Jack Straw. Hij besliste in april vorig jaar voor de tweede keer dat Pinochet daadwerkelijk kan worden uitgeleverd. Dit leidde tot een reeks van juridische stappen, over en weer, totdat in november iemand op het idee kwam dat Pinochet misschien wel te ziek was om een eerlijk proces te garanderen met de tot nu toe bekende afloop. Het is buitengewoon spijtig dat de uitspraak van de Law Lords niet het praktische vervolg heeft gekregen dat even in de lucht zat: een met veel publiciteit omgeven openbare behandeling van de zaak, waarbij alle bewijsmateriaal systematisch kan worden gepresenteerd en door de verdediging van een weerwoord kan worden voorzien. Het zou de Chileense praktijken van de jaren 1973-1990 voorgoed aan de vergetelheid hebben onttrokken en genoegdoening hebben betekend voor de nabestaanden van de slachtoffers. Voorts zou het zelfs aan de achteloze beschouwer zichtbaar hebben gemaakt dat de internationale rechtsorde een ontwikkeling doormaakt op het punt van bestraffing van ernstige vergrijpen tegen de menselijkheid.

Tegelijkertijd kan niet worden ontkend dat Pinochet ziek is, te ziek om een eerlijk verloop van het proces te garanderen, aldus de artsen die daartoe werden ingeschakeld. Dat dat argument sommige politici goed uitkwam, doet niet af aan het feit dat een onafhankelijk medisch oordeel respect verdient, ook indien dat leidt tot conclusies die strijden met het rechtsgevoel. Maar zelfs dan is de huidige afloop nog niet geheel en al onbevredigend. Sterker: de principiële betekenis van de zaak mag niet worden onderschat, hoezeer ook andere toekomstige gevallen een geheel eigen karakter zullen kennen en hoezeer ook de uitspraak van de Law Lords in strikt juridische zin niet bindend is voor welke andere rechter dan ook.

De Lords hebben actief bijgedragen aan de idee dat vervolging van grote misdaden tegen de menselijkheid `in de lucht zit'. Dat Pinochet bij terugkeer in zijn land door sommigen met gejuich is ontvangen en dat hij er alles aan zal doen om zijn terugkeer uit te leggen als een overwinning en als bewijs van zijn onschuld, is een zure appel. Iets vergelijkbaars geldt voor de volstrekt ridicule bijval die hij mocht ondervinden van Lady Thatcher. Ook zij echter vermengt hoofd- en bijzaken, en roept vooral de vraag op of Pinochet wel zo gebaat is bij dergelijke ongenuanceerde steunbetuigingen. Los van de vraag hoe het Pinochet de komende tijd zal vergaan, laat zijn zaak haar sporen na in de internationale rechtsorde. Een schrale troost voor sommigen, maar wel een troost.

Prof dr. W.J.M. van Genugten is hoogleraar Internationaal Recht aan de KUB en hoogleraar Rechten van de Mens aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.