WAAS VAN ONRUSTIG GEDRAG

Worden kinderen steeds moeilijker? Met die vraag stapten Leidse basisschooldocenten drie jaar geleden naar de Universiteit Leiden. ``Het gevoel overheerst dat kinderen in toenemende mate leiden aan psychosociale problemen, en dat dit het werk steeds zwaarder maakt'', zegt Jan Augustinus, docent op de Lorentzschool en één van de initiatiefnemers. Maar in het onderzoek dat volgde op deze vraag wordt dit gevoel niet gestaafd met feiten. `De algemeen geventileerde mening in het onderwijsveld dat kinderen steeds moeilijker worden, worden door een steekproef in datzelfde onderwijsveld tegengesproken', luidt één van de conclusies van het vorig najaar verschenen onderzoeksrapport `Lastig? Kinderen met psychosociale problemen en de draaglast van leerkrachten in het Leidse basisonderwijs'.

Wat nu? ``De resultaten van het onderzoek vielen ons tegen'', bekent Augustinus. ``Wat is lastig?'' zo vult zijn collega Leny van Muijden in het kleine docentenkamertje aan. ``Wat een collega lastig vindt, vind ik juist weer leuk.'' Het onderzoek haalt de gevoelens van de Leidse leerkrachten overigens niet onderuit. Het wijst alleen andere oorzaken aan dan een verandering bij de kinderen..

De onderzoekers dr. Pieter Kousemaker en drs. Marianne Thomeer-Bouwens, verbonden aan de Afdeling Orthopedagogiek van de Universiteit Leiden, vergeleken het voorkomen, de ernst en de soort psychosociale problemen bij een steekproef van 513 Leidse basisschoolkinderen met psychosociale onderzoeken onder 1.600 Nederlandse schoolkinderen van 4 tot 18 jaar uit 1983 en 1993. Ten opzichte hiervan bleken de Leidse schoolkinderen niet minder maar ook niet meer psychosociale problemen te hebben. Wel vonden zij dat `in het oordeel van de leerkrachten enkele probleemgedragingen frequenter voorkomen bij de onderzoeksgroep dan bij de normgroep. Het betreft hier vooral ongehoorzaam, luidruchtig en assertief gedrag, dat binnen een schoolsituatie zeer hinderlijk is'. Lastige kinderen dus, maar niet lastig genoeg om het etiket `psychosociale problematiek' opgeplakt te krijgen en dus: niet lastig genoeg voor het speciaal onderwijs – hoewel veel onderwijzers dat eigenlijk wel denken.

Kousemaker en Thomeer-Bouwens zien in deze `waas van onrustig gedrag' een afspiegeling van het gedrag van de volwassenen en de omringende cultuur. ``Iedere generatie krijgt de kinderen die zij verdient'', schrijven zij. ``Iedereen vindt dat kinderen assertief moeten zijn, maar als ze het dan zijn, dan vraagt iedereen zich af: hoe hebben we dat gepresteerd?'', zegt Thomeer-Bouwens. ``Ja, de kinderen zijn assertiever'', reageert leerkracht Van Muijden. ``Maar dat is niet negatief. Wij léren ze juist zelf dat ze het moeten vragen als ze iets willen.'' Volgens Van Muijden en haar collega's van de groepen 1/2 zijn het niet de kinderen zelf die het werk zwaarder maken, maar de andere werkwijze, omdat er nu meer les wordt gegeven op het niveau van het kind. Van Muijden: ``Vroeger ging je met de hele klas olifantjes plakken. Nu heb je voor elk kind een andere aanpak. Bij de een moet ik niet boos worden, want dan klapt hij dicht. Een ander heeft dat juist wel weer nodig om tot een prestatie te komen. De volgende is een NT2-kind (Nederlands als Tweede Taal), dat extra taalbegeleiding moet krijgen. Dat kost heel veel energie.''

Een van de aanleidingen voor het onderzoek `Lastig?' was het plan Weer Samen Naar School (WSNS), dat de verwijzing van kinderen naar het speciaal onderwijs beperkt tot een paar procent van de leerlingpopulatie per school. Voordat een school een leerling naar het speciaal onderwijs kan doorverwijzen moet de school kunnen aantonen dat zij alles uit de kast heeft getrokken om de leerling te behouden. Zodra docenten `iets' bespeuren aan een kind gaan dus de radertjes draaien, vertellen Kousemaker en Thomeer-Bouwens: `Moet ik er iets aan doen, kan ik er iets aan doen, alarmeer ik niet te vroeg?' Dit veroorzaakt volgens hen een deel van de grotere werkdruk die docenten voelen.

De Lorentzschool is actief in het vroegtijdig opsporen van mogelijke problemen. Bij de start van de schoolloopbaan van ieder kind vullen de ouders een `intredelijst' in over de voorschoolse ontwikkeling. Daarin wordt bijvoorbeeld gevraagd wanneer een kind zijn eerste woordjes sprak, wanneer het echte zinnen werden. In groep twee worden alle leerlingen getoetst op onder meer begripskennis, door op een plaatje begrippen als `voor' en `achter' te omcirkelen. Met de observatie van de leerkracht moet zo een vroege diagnose gesteld kunnen worden. Het eerste steuntje in de rug is de taalklas van remedial teacher Alewien de Fockert in groep drie. Dagelijks wordt anderhalf uur besteed aan intensief taalonderwijs op maat: veel oefenen en herhalen. ``Omdat het een klein groepje is, van zes kinderen, kan ik ze de bescherming bieden die ze nodig hebben om niet `stuk' te gaan'', aldus De Fockert. Die veiligheid is zichtbaar als een jongetje zichzelf beloont door via zijn knuffel op tafel tegen zichzelf te zeggen `goed gedaan'.

Uit het onderzoek komt naar voren dat leerkrachten, naar eigen zeggen, op een klas van circa dertig kinderen gemiddeld elf leerlingen hebben die ondergemiddeld functioneren, ofwel op het gebied van leerprestaties danwel op psychosociaal gebied. Met andere woorden: een derde van de leerlingen heeft recht op extra aandacht. Bij een vijfde van de leerlingen voor wie de docenten doorverwijzing overwegen, gebeurt dit daadwerkelijk. Dat gebeurt ook met een deel van de kinderen uit de taalklas van de Lorentzschool. ``Kinderen die breekbaar zijn, wankel en vlak in hun emoties'', aldus De Fockert, die steeds meer kinderen in haar klasje krijgt met meer dan alleen een taalprobleem. ``Maar er zijn ook kinderen met een zware leerproblematiek, die het met speciale eigen programma's hier wel redden en die strálen.''

Verontrustend is de bevinding van de onderzoekers dat bijna driekwart van de docenten twijfelt aan de eigen competentie en effectiviteit: `Zij vinden dat hun opleiding hen slecht heeft voorbereid op het begeleiden van leerlingen met leer- en gedragsproblemen.' Ook dit draagt bij aan het gevoel overbelast te zijn, net als een optelsom van `alles eromheen': grote groepen, veel vergaderingen, hoge verwachtingen van ouders die zij ook uiten, de openbaarheid van schoolprestaties.

Kousemaker en Thomeer-Bouwens pleiten voor een scholing na het HBO voor beginnende docenten, in de vorm van begeleiding door deskundige routiniers. Ook zijn zij voor een gecontroleerde instroom van kinderen. Kousemaker: ``Voorschools onderwijs is niet alleen het leren van Nederlands, maar ook het leren van sociale en emotionele vaardigheden. Hoe ga je om met een kind dat groep één binnenkomt en maar twee manieren kent om zich te uiten: schreeuwen en bijten?'' Kousemaker pleit voor onderkenning in een vroeg stadium door het consultatiebureau, zodat al snel ingegrepen kan worden. Zij vindt dat docenten getraind moeten worden in het omgaan met dergelijk probleemgedrag bij kleuters. ``Daar ligt een taak voor de PABO's.''

Het rapport `Lastig?' kan worden besteld à ƒ26,- bij Afdeling Verkoop, Faculteit Sociale Wetenschappen Universiteit Leiden, postbus 9555, 2300 RB Leiden.