UIT DE LUCHT 3

Dirk van Delft (W&O, 12 februari) springt in de steeds groter wordende bres, die universiteitsbesturen onder het bewind van de ministers Pais, Deetman, Ritzen en Hermans in de beoefening van talen en hun letterkunden in Nederland hebben geslagen, de waarschuwingen van Carl Ebeling (1987), Frits Staal (1991) en Henk Vonhoff (1995) ten spijt. Dat siert hem en de Keltische taal- en letterkunde waarvoor hij het opneemt, maar het kan de afkalving geen halt toeroepen, want de beweging erachter is krachtiger dan Nederland zou kunnen keren.

Taal- en letterkunde staat overal in de Europese Unie, van Oslo tot Palermo, onder inmiddels welbekende druk: reductie van materiële en bibliotheeksvoorzieningen, het schrappen van promotieplaatsen, `natuurlijk' verloop van de staf en het opheffen van vestigingen (op mijn vakgebied, de Slavische talen en hun letterkunden, in de periode 1998-2000: Brussel, Paderborn, Saarbrücken). De financiële en fysieke ruimte, eertijds bestemd voor onderwijs en onderzoek (`dat inhoudelijke gedoe', zo zei recentelijk een van mijn Amsterdamse bestuurderen) wordt ingenomen door management en marketing. De stijgende lijn van het niet-wetenschappelijke personeel heeft de dalende van het wetenschappelijke inmiddels alweer acht jaar geleden gekruist en geheel nieuwe carrièreperspectieven geopend – van het voorzitterschap van een commissie via het `professionele' decanaat naar een zetel in een college van bestuur. Wat onderwezen en onderzocht wordt, telt minder zwaar dan hoe het consumenten trekt en, eenmaal getrokken, tot een gemiddelde afsluiting brengt.

Aan de erosie van de beoefening van taal- en letterkunde werken zeker factoren uit de discipline zelf mee. Rond WO I kwam men tot het inzicht dat niet alleen bestaande, maar ook nog te produceren uitingen onderwerp van taalkundig onderzoek zouden moeten vormen. Dat heeft ertoe geleid dat de eertijds ongedeelde beoefening van taal- en letterkunde (`filologie') werd opgesplitst in taalkunde en letterkunde en dat de omgang met bestaande teksten in wezen werd afgeschoven naar de letterkunde. Na WO II poneerde Noam Chomsky dat een wezenlijk onderwerp van taalkundig onderzoek `de' taalcompetentie van `de' mens is, onafhankelijk van zijn concrete taal. Dat heeft tot gevolg gehad dat de aandacht van concrete talen verschoof naar `de' taal en dat specifieke taal- en letterkunden allengs werden beschouwd als niet meer dan het voorportaal van een algemene taal- en letterkunde.

Aan dat laatste ligt een Amerikaanse fictie ten grondslag: dat men zich met taal- en letterkunde zou kunnen bezighouden onafhankelijk van concrete talen, i.c. in het Engels. Die fictie kon bij ons aanslaan omdat we enerzijds hebben leren leven met ficties (`de' belegger, `de' consument, `de' minima) en anderzijds ons van lieverlee minder vrijblijvend zijn gaan oriënteren op de Amerikaanse opvattingen van wetenschap en onderwijs, hetgeen zijn beslag kreeg in de overeenkomst door de Europese ministers van onderwijs gesloten te Bologna in 1999, waardoor in Europa de Amerikaanse graden `bachelor' en `master' werden ingevoerd. In de Amerikaanse opvattingen ligt overigens besloten dat taal- en letterkunde geen `science' is, maar slechts een `art' – een reden te meer om haar van minder belang te achten.

De afkalving van de beoefening van taal- en letterkunde in Europa mag echter niet alleen worden geweten aan onze toenemende fixatie op de Verenigde Staten. Ook de koude grond van Europa heeft zo zijn factoren bijgedragen. Op Duitsland na hebben wij het leerlingenstelsel zo goed als afgeschaft en wij wensen geen vertrouwen meer te stellen in onderwijs buiten klassikaal verband, zonder controleerbaar tijdspad en structuur, zoiets als `studie'. Letterenfaculteiten, in hun streven naar steeds grotere groepen studenten in de collegezalen, stellen steeds meer algemene colleges verplicht, hetgeen een ernstige aanslag vormt op de tijd benodigd om én taalvaardigheid te verwerven én kennis van de literatuur in een taal waarmee men op de universiteit voor het eerst in aanraking komt. Want onze fictie dat alle studies in principe even lang zouden moeten duren is voor de taal- en letterkunde in laatste instantie fnuikend: de kwaliteit van haar beoefening is evenredig aan de tijd besteed aan de oefening ervan.