Thalys (1)

Woensdag, 1 maart 2000, het Centraal Station in Amsterdam. Om 9.54 precies klonk het signaal van vertrek. In de cabine van de Thalys naar Parijs bevonden zich deze keer drie mannen, Peter Conijn, machinist, Edsel Geenjaar, stafmedewerker Boord, en S. Montag, diverse beroepen. Conijn verschoof een paar handeltjes. Daar gebeurde, wat een leek altijd weer tot verbazing en bewondering brengt: alles werkte. De eerste centimeters van de reis naar Parijs en terug waren al afgelegd. Zoals zo vaak onder dergelijke omstandigheden werd S. Montag overvallen door een gevoel dat het midden houdt tussen geluk en tevredenheid. Het vliegtuig komt los van de aarde, je stapt in de tram en hij rijdt weg, altijd heel even hetzelfde.

Als ik de afgelopen jaren weer eens iemand van de Nederlandse Spoorwegen sprak, had ik telkens terloops gezegd dat ik weleens mee wilde naast of achter de machinist, van Amsterdam naar Haarlem of over de Veluwe waar hard wordt gereden. Aan bereidheid van de NS mankeerde het niet maar op een of andere manier was het er nooit van gekomen. En nu, praktisch van de ene dag op de andere: de Thalys. Om het overzichtelijk te houden, verdeel ik mijn verslag in hoofdstukjes.

Van het ogenblik af waarop in Frankrijk de eerste TGV ging rijden, op 27 september 1981, ben ik een bewonderaar van dit soort treinen geweest (zonder daarmee andere tekort te willen doen). Het duurde niet lang voor ik er ook in had gezeten, van Parijs naar Marseille. Een genot – nog afgezien van de muziek van de snelheid waar ik nog op terug kom. Het leek me goed als Nederland door de TGV met de rest van Europa zou worden verbonden. De publiciste Suzanne Piët en ik namen ons voor een pressiegroep te stichten, onder de leuze: De TGV in het CS, waarbij TGV zou staan voor Trein met Grote Vaart. Ik polste hier en daar, werd voor gek versleten. We gaven het op.

Na een paar jaar begon het succes van de TGV tot Nederland door te dringen. De trein kreeg een Nederlandse naam: Hoge Snelheids Lijn, maar veel nieuwsgieriger werd ons publiek er niet van. Al zoekend vond ik nog een bericht in een krant uit 1986 onder de kop: `Nederlandse Spoorwegen zien niets in HSL'. Andere pressiegroepen waren intussen in het geweer gekomen. Nederland was veel te klein om er met zo'n vaart doorheen te rijden; zoals in de negentiende eeuw werd weer een nadelige invloed verwacht op de melkproductie van de koeien, en het mooie landschap zou er door worden bedorven. Remco Campert betoogde dat een landschap er juist van opknapt als er een trein doorheen rijdt; ik wees op de beste scène in de film Dr. Zjivago, die waarin een stoomtrein een sneeuwvlakte doorklieft, herinnerde aan de rol van de trein in Nescio's De uitvreter en het gedicht van Nijhoff, Awater: `Zij heft een knie in stoom.' Het had geen invloed op de besluitvorming.

In de buurlanden werd geëxperimenteerd, werden plannen gemaakt, de Kanaaltunnel werd gegraven, en nu begon men ook in Den Haag ernstig na te denken. De eerste plannen voor de HSL gingen in onze consensusmachine. Als het allemaal loopt zoals het er nu uitziet, zal over een jaar of vier, vijf de eerste Thalys op volle snelheid door Nederland naar Amsterdam rijden. Maar laten we voorlopig niet klagen. Dat we sinds een paar jaar er in het CS kunnen instappen en doorrijden naar Parijs, is een groot voordeel. Hoe onschatbaar het is, zullen we over een jaar of vijf pas goed gewaar worden.

Ik stond schuin achter de heer Conijn, keek door de voorruit en zag stad en land voor het eerst in dit perspectief. Duizenden keren hebt u, zoals ik, door het zijraam van een trein naar buiten gekeken. Wat we zien is een onophoudelijk schuiven van zijdelingse perspectieven, zolang de reis duurt. Zit je achter het stuur van een auto, dan wordt je blikveld bepaald door het lengteperspectief van de weg, waaruit je tweede natuur van automobilist kiest wat voor veiligheid en voortgang van de rit van belang is. De rest is secundair. Zit je naast de bestuurder, dan heb je hetzelfde lengteperspectief, ook van de weg. Dat is je vertrouwd.

Het bewegend lengteperspectief van rails is principieel, kwalitatief anders. De rechte lijnen van de rails ken je alleen van de film. Wissels worden ijzeren strepen die in elkaar vloeien, zich weer scheiden. De beweging wordt muziek voor je ogen. Het lengteperspectief deelt zich aan het bewustzijn mee. Het opent, zolang het duurt, de onthechting die toegang geeft tot de eindeloosheid. Ziet dit er te poëtisch uit? Wie weleens met een vaart van 120 kilometer station Leiden voorbij is gereden, zal begrijpen wat ik bedoel.

Dit is mijn inleiding. We blijven tussen Leiden en Den Haag. Volgende week wordt het reisverslag vervolgd.

PS. Nieuws over Alva. Het gedicht van Ludwig Uhland, Des Sängers Fluch, leeft voort. Afgelopen week heb ik twaalf brieven gekregen van lezers die zich hun Duitse leraar herinnerden en dankzij hem nog grote stukken uit hun hoofd kenden. Ze citeerden of stuurden een kopie van de volledige tekst. J.J.L. ten Kate heeft het vertaald; dat staat vast. Maar er is nog een vertaling, die voorkomt in een jongensboek: Willem Roda, van E. Heimans. Te veel wetenschap heb ik de afgelopen week opgestoken om daarvan in een naschrift melding te maken. U hebt niet vergeefs geschreven; ik kom erop terug.