Polder paradigma

HET POLDERMODEL staat op zijn kop. In het vorige millennium is het vijandbeeld van Nederland altijd helder geweest. `Wij' tegen `water': dat is vanaf de late Middeleeuwen, toen Nederlanders hun eigen terpen verlieten en gezamenlijk dijken gingen bouwen, de kern van onze nationale identiteit gebleven. Onder het motto `wie niet meedijkt in nood, verbeurt zijn erf' hebben staat en burgers eeuwenlang geprobeerd het water terug te drijven. Zelfs onze democratische instituties vinden hun oorsprong in deze strijd tegen de elementen. Met succes. Het land heeft het glansrijk van het water gewonnen.

Maar nu duikt er plotseling een staatssecretaris op die al deze vertrouwde zekerheden omdraait. Nederland moet volgens bewindsvrouwe De Vries (Verkeer en Waterstaat) aanvaarden dat de verhouding tussen land en water anders wordt dan we al die tijd gewend zijn geweest. Als het aan de staatssecretaris ligt, worden er speciale polders voor `calamiteiten' en `retentie' aangewezen, krijgen rivieren meer ruimte en komen er `droge kanalen' of `groene rivieren' waardoor overtollig water kan worden gesluisd. Met andere woorden: Nederland moet zich niet meer afsluiten voor het water maar zich juist durven laten vollopen. ,,Een gecontroleerde overstroming is altijd goedkoper dan een ongecontroleerde'', aldus De Vries. Het enige dat in dit nieuwe paradigma herinnert aan het oude is het woord `goedkoop'.

VERBIJSTERING WAS haar deel. Burgemeesters, wethouders, ambtenaren en bewoners van de polders, die ten tijde van hoge nood volgens De Vries misschien onder water moeten worden gezet, klommen in de hoogste boom. ,,Buitengewoon onzorgvuldig'' was de nog milde kwalificatie van burgemeester IJssels in Gorinchem. Ook zijn collega d'Hondt van Nijmegen voelde zich overvallen door de nieuwe filosofie van staatssecretaris De Vries.

In korte golven denkend is die verbazing begrijpelijk. In de polders, waar de dijken eventueel open moeten kunnen of waar in de vorm van kanalen expansievaten zullen worden gegraven, wonen al mensen of gaat op korte termijn gebeuren. Zeker sinds het begrip `Vinex' zijn intrede heeft gedaan in de ruimtelijke ordening, loeren gemeentebestuurders op elk stukje land en worden daarbij nadrukkelijk gesteund door de rijksoverheid. In de Waalsprong bij Nijmegen bijvoorbeeld zijn voor de komende twintig jaar elfduizend woningen getekend. Ongeveer dertigduizend mensen zullen daar onderdak vinden. Wanneer dwars door deze bouwlocatie inderdaad een `groene rivier' komt te liggen, blijft dat plan niet ongeschonden.

Als de horizon wat wordt verruimd, is de opwinding op plaatselijk niveau echter minder vanzelfsprekend. Het is onloochenbaar dat wateroverlast in Nederland niet louter door onszelf wordt veroorzaakt. Hoogwater in Holland is het gevolg van klimatologische en geologische veranderingen in de natuur én ook het resultaat van de wijze waarop men in Zwitserland, Frankrijk, Duitsland en België omspringt met de rivieren die in de Noordzee uitmonden. Internationale samenwerking is derhalve geboden. De opmerking van burgemeester d'Hondt – ,,het probleem wordt geëxporteerd door Duitsland, laat Duitsland ook de oplossing importeren'' – lijkt in haar eenvoud daarom aantrekkelijk.

MAAR DEZE BENADERING snijdt op langere termijn geen hout. Nederland is nu eenmaal de delta van West-Europa. Die geografische positie heeft nooit windeieren gelegd, integendeel. De leuze dat Nederland de `gateway to Europe' is, illustreert dat in materiële zin. Waarachtig koopmanschap vereist dat de keerzijden van deze voordelen eveneens onder ogen worden gezien. Bovendien heeft het ruimtelijke beleid in Nederland de afgelopen decennia hoogmoedige trekjes gekregen. In het streven om de bijna zestien miljoen inwoners een eigen huis te geven, is tot nu toe nooit een keuze gemaakt. In de steden wordt weliswaar in de hoogte gebouwd. Maar suburbia kan intussen uitdijen als een soort Los Angeles waar eengezinswoning, tuin en parkeerplaats de norm zijn. Vroeg of later stuit zo'n planologische praktijk op haar eigen grenzen.

Het is de verdienste van staatssecretaris De Vries dat ze er niet te laat bij is. Door zich openlijk uit te spreken, heeft ze misschien nog invloed op de vijfde nota Ruimtelijke Ordening waaraan thans wordt gewerkt. De vraag rijst wel waarom juist zij de principiële kanttekeningen heeft geplaatst bij de wijze waarop de fysieke infrastructuur tot nu toe vorm heeft gekregen. Zijn de portefeuilles zo strikt afgebakend? Duidt het op gebrekkige coördinatie in Den Haag? Weet rijkswaterstaat niet waarmee andere departementale diensten bezig zijn? Of is zij als een soort mijnenhond vooruitgestuurd om te kijken waar de grenzen in de nieuwe waterwedloop liggen?

WAT OOK HET antwoord is, staatssecretaris De Vries heeft nog een lange weg te gaan. Want zolang de ministers Netelenbos en Pronk – of beter zonder het voltallige kabinet – zich niet in dit fundamentele debat mengen, zullen de lokale overheden hun polders volbouwen en wordt het moeilijker de onvermijdelijke breuk met het verleden in de praktijk gestalte te geven.