OPTISCH BEDROG VOERT GRENSRECHTERS TOT FOUTIEF OORDEEL

Eigenlijk had Nederland de finale van 1974 tegen Duitsland met 3-1 horen te verliezen: een doelpunt van Gerd Müller werd ten onrechte afgekeurd wegens buitenspel. Hoe dat gebeuren kan, is het onderwerp van een `brief communication' deze week in Nature. Bewegingswetenschappers van de Vrije Universiteit in Amsterdam poneren als verklaring dat grensrechters zich vaak iets vóór de beslissende verdediger bevinden en de zaken om die reden onder een scheve hoek zien.

In een veldexperiment, waarbij twee gerenommeerde juniorenteams tegen elkaar uitkwamen, beoordeelden drie grensrechters uit het betaalde voetbal in totaal 200 potentiële buitenspelsituaties. Daarbij bleken ze 40 keer in de fout te gaan. Een mogelijke verklaring is dat de grensrechter de speler die de pass geeft en de bepalende verdediger niet in één oogopslag kan zien en dat in de tijd die het kost om de blik op de verdediger te richten de relatieve positie van de aanvaller kan zijn gewijzigd (The Lancet, 24 januari 1998). Maar de Amsterdamse bewegingswetenschappers willen er niet aan. Een van de grensrechters droeg op zijn hoofd een camera en in de situaties waarin hij had gefaald had hij zijn hoofd niet met een ruk gedraaid.

De Amsterdamse onderzoekers constateerden dat de grensrechter zich gemiddeld 1,18 meter vóór de bepalende verdediger bevond. Daardoor loopt de zichtlijn naar die verdediger schuin in plaats van dwars op het veld. Beoordelingsfouten zijn het gevolg. Zie de figuur. De verdediger is aangegeven met een rondje, beide aanvallers met een driehoekje. In de aangegeven situatie staat de aanvaller aan de buitenkant op dezelfde hoogte als de verdediger, en die ter binnenzijde bevindt zich iets vóór die verdediger. De eerste staat dus niet buitenspel, de tweede wel. Maar gaan we af op de zichtlijn van de grensrechter, dan staat de buitenaanvaller vóór de verdediger en de binnenaanvaller er juist achter. Dus steekt de grensrechter in precies het verkeerde geval zijn vlag omhoog.

Uitgaande van deze redenering kwamen de Amsterdammers met de hypothese dat bij buitenaanvallers de grensrechter vaker ten onrechte vlagt dan dat hij ten onrechte niet vlagt. Bij binnenaanvallers ligt het precies andersom. Gegevens uit het veldexperiment en die van 200 wedstrijden op video (geplukt uit de eredivisie en het WK-1998) blijken dit te bevestigen. In totaal vlagden grensrechters in 9,3 procent van de gevallen ten onrechte voor buitenspel. In spelsituaties zoals in de figuur werd de buitenaanvaller 171 keer ten onrechte buitenspel gegeven en 31 keer ten onrechte niet, terwijl de binnenaanvaller 19 keer ten onrechte werd afgevlagd en 84 keer ten onrechte mocht doorgaan. Het achteraf beoordelen van grensgevallen aan de hand van videobeelden, gemaakt vanuit een adequate positie, kan volgens de Amsterdamse onderzoekers deze onvermijdelijke fouten corrigeren.