Oprecht of opportuun

Spijtbetuigingen van politici over het verleden zijn tegenwoordig niet van de lucht. Daagt er een nieuw historisch besef, of onthult dit leedwezen met terugwerkende kracht juist een pijnlijk gebrek daaraan? Over de geschiedenis als een soap en de banalisering van het leed.

Gezegend is de natie zonder geschiedenis, schreef Montesquieu, en hij had misschien wel gelijk. Een natie zonder geschiedenis hoeft in ieder geval nimmer excuses aan te bieden voor het verleden. Of spijt te betuigen over de historie. Of gedane zaken te betreuren. De naties met een geschiedenis lijken het de laatste jaren juist nogal druk te hebben met deze bezigheden. Vooral minister-president Wim Kok had zijn handen recentelijk vol met schuld en boete. Binnen een bestek van veertien dagen eiste en kreeg hij een spijtbetuiging van Japan en bood hij zelf namens de Nederlandse natie tweemaal zijn excuses aan: voor het onrecht en de kille ontvangst waarmee de joodse overlevenden uit de vernietigingskampen na de oorlog te maken kregen, en voor de Nederlandse koloniale activiteiten in het huidige Indonesië.

Het relatieve gemak waarmee een en ander gebeurde, maakt duidelijk dat politici steeds meer bedreven raken in het betuigen van spijt. In de jaren vijftig moest Japan nog met de bajonet in de rug gedwongen worden tot een knarsetandende erkenning van schuld aan onzegbare gruwelijkheden. En in de jaren zestig hield de gehele wereld de adem in toen Willy Brandt – en met hem de Duitse natie – door de knieën ging bij het oorlogsmonument in Warschau. Nooit tevoren in de geschiedenis had een leider van een onafhankelijk land op een dergelijke wijze leedwezen betuigd voor de misdaden die zijn natie had begaan.

Tegenwoordig volgen de spijtbetuigingen voor het verleden elkaar in snel tempo op. Niet alleen in Nederland. Zo bood de Franse president Chirac in 1995 ronduit zijn excuses aan voor de collaboratie van het Vichy-regime en in het bijzonder voor de Franse medeplichtigheid aan de razzia in Parijs van 1942 die meer dan 10.000 joden de dood injoeg. In 1997 formuleerde Tony Blair zijn oprechte verontschuldigingen voor de perfide rol van Engeland tijdens de desastreuze hongersnood in Ierland in 1845; meer dan 1 miljoen Ieren crepeerden destijds zonder dat de Engelsen een hand uitstaken. Een jaar later betuigde de paus een begin van leedwezen over de Inquisitie in de Middeleeuwen en nog wat uitglijders van de rooms-katholieke gelovigen door de eeuwen heen. Volgende week zal hij op een officiële `dag van berouw' zijn spijt betuigen over een nieuwe lijst zonden die `zonen en dochters' van de kerk in het verleden begingen (de kerk zelf blijft buiten schot, want onfeilbaar).

En onlangs nog bood ook de Amsterdamse beurs excuses aan wegens het oorlogsverleden, en toonde het ministerie van Financiën spijt wegens de veiling van joodse bezittingen. Eind januari bood premier Persson van Zweden nog zijn excuses aan voor het feit dat men wegens de neutraliteit tijdens de oorlog joodse vluchtelingen weerde. En dan zijn er de `gevoelens van oprecht berouw' die geregeld worden geuit in Japan, dat zo langzamerhand met enige routine desgevraagd leedwezen betuigt met de diverse slachtoffers van zijn optreden tijdens de oorlog (zoals Nederland, Groot-Brittannië, Zuid-Korea en China, waarbij de relatie tussen toeschietelijkheid en aantal slachtoffers omgekeerd evenredig is).

En het einde is nog lang niet in zicht, want onderwijl klinkt de roep om nog veel meer excuses: zoals van de Aboriginals die aan Groot-Brittannië een spijtbetuiging hebben gevraagd voor de bloedige verdrijving uit hun grondgebied alsmede voor de politiek van gedwongen gezinsscheiding als middel tot inburgering. En in ons land wacht de eis uit afro-Surinaamse hoek tot excuses over de slavernij sinds 1997 ook nog op antwoord. De Jehova's Getuigen hebben onlangs weer gemeld juist geen behoefte te hebben aan excuses van de Nederlandse overheid voor hun opvang na de oorlog (waarin ongeveer 200 van de toenmalige 500 Getuigen omkwamen); de reactie van de zigeuners, homoseksuelen en gehandicapten op spijtbetuigingen dienaangaande is nog onbekend.

Al dit recente zondebesef over het verleden is hier en daar afgedaan met de term `excuuscultuur'. Daarmee worden de trend zelf en het tijdstip ervan echter niet verklaard. Dat het om meer gaat dan plotsklaps ontluikend moreel inzicht, is wel duidelijk. Dat het typisch modern is, en alles te maken heeft met de Tweede Wereldoorlog en de holocaust in het bijzonder, is eveneens evident. Het is in ieder geval een benadering van het verleden, die tijdgenoten van massamoordenaars als Julius Caesar, Napoleon en koning Leopold II niet zouden kunnen begrijpen.

Afgezien van de vraag of de uitgesproken excuses oprecht of opportuun zijn, feit is dat achter al die spijt over het verleden een labyrint aan moeilijke en deels waarschijnlijk onoplosbare vraagstukken op de loer ligt. Zoals: is de holocaust wel te excuseren? Kan een natie spijt hebben van haar geschiedenis, en tot hoeveel eeuwen terug kan die spijt zich uitstrekken? Indien een staat aansprakelijk is voor zijn daden in het verleden, is er dan ooit of nooit sprake van verjaring? Of: is er een onvermijdelijke en onlosmakelijke vervlechting van collectieve schuld, collectief leed en collectieve excuses? Dan wel: wat is de staatsrechtelijke betekenis van spijtbetuigingen van de huidige generatie over de daden van vorige generaties? Tot het hoeveelste geslacht blijft er bloed aan handen kleven? Misschien ook: zijn de excuses van Kok wegens de kille ontvangst van eenzelfde orde als het berouw van Willy Brandt, of is er een glijdende schaal voor spijt over het verleden?

En ten slotte is er de vraag: waarom nu? Is er thans sprake van oprechte morele wroeging en nationale gewetensnood na grondige studie van de geschiedenis, of wijzen de excuses voor gebeurtenissen van een halve eeuw (of langer) geleden – ja, de gehele politisering van historisch leed – minder naar het verleden dan naar het heden?

Hier opent zich een afgrond van pijnlijk zelfonderzoek. Het is van een afstand misschien gemakkelijk te zien dat de excuses van Chirac voor het Vichy-regime behalve van historische betekenis ook een opportune diskwalificatie waren van zijn socialistische voorganger Mitterrand, wiens schimmige rol tijdens de oorlog zojuist bekend was geworden. Het is evenmin moeilijk te zien dat de excuses van Blair aan de Ieren, behalve van historische betekenis, ook een opmaat waren voor de beslissende fase van het Noord-Ierse vredesproces. Maar hoe zit het met de excuses die Kok blijkbaar uit naam van de Nederlandse natie eiste en maakte?

Niet goed, vrees ik. Ondanks de vreugde die de voormannen van sommige betrokken groepen tonen, is er geen reden te menen dat we een nationale morele catharsis meemaken. Neem de spijtbetuigingen die van Japan werden verlangd, voorafgaand aan het bezoek van Kok (en van het bezoek van de keizer aan Nederland later dit jaar). `Tweede Kamer blij met excuses Japan' berichtte onder meer deze krant, die net als de tevreden parlementariërs en alle Nederlandse media beklemtoonde dat dit `de eerste keer' was dat leed van `Nederlandse slachtoffers' expliciet door de Japanners zou zijn vermeld.

Dit nu is een abuis. Sterker nog: het is volstrekte onzin. De nimmer eindigende onderhandelingen over spijt en leed tussen Nederland en Japan zijn begonnen in 1951 toen in San Francisco het vredesverdrag werd ondertekend. Uiteindelijk resulteerde dit in 1956 in het Stikker-Yoshida Protocol, waarin Nederland niet alleen als enig land een schaderegeling voor geïnterneerden (van 38 miljoen gulden) kreeg, maar waarin Japan ook verklaarde dat het daarmee uitdrukking gaf aan `zijn deelneming met, en zijn leedwezen voor, het aan Nederlandse onderdanen gedurende de Tweede Wereldoorlog door instanties van de regering van Japan toegebrachte leed'. Overigens had de Nederlandse pers destijds weinig aandacht voor het protocol.

Dat lag anders bij navolgende bilaterale ontmoetingen, bijvoorbeeld bij die in 1998 en 1995 (waarbij steeds excuus werd aangeboden), en zeker bij die in 1991 toen de Japanse premier Kaifu op bezoek kwam, voorafgaand aan een bezoek van koningin Beatrix aan Japan. Er was veel belangstelling van de media en de emoties liepen weer hoog op. Kaifu zei tegenover de toenmalige premier Lubbers het ,,zeer te betreuren'' dat ,,vele Nederlanders ondraaglijk lijden en verdriet is aangedaan'', en sprak zijn ,,oprecht berouw'' uit ,,over het optreden van Japan in het verleden''. Lubbers betoogde dat daarmee voor hem de kous af was. Hierop kwam een storm van protest uit de hoek van de oud-strijders en de Stichting Japanse Ereschulden, waarbij men de premier verweet ,,spreekbuis van de Japanse staat'' te zijn. Boze oud-strijders gooiden de krans die de Japanse premier bij het Indische Oorlogsmonument had gelegd, in het water.

Hierna moesten er heel wat excuses aan te pas komen om de gemoederen te sussen. Lubbers betuigde Kaifu zijn leedwezen voor de verdronken krans, maar in de Tweede Kamer klonk de vraag of het niet beter was juist aan de oorlogsslachtoffers spijt te tonen. Twee weken hield Lubbers voet bij stuk, maar toen werd de druk in de media te groot: in een bijeenkomst met `vertegenwoordigers van de Indische gemeenschap' betuigde hij uiteindelijk zijn spijt dat hij gezegd had dat de kous af was, en bood hij zijn excuses aan voor het feit dat hij zijn excuses aan de Japanse premier had aangeboden. In de Kamer moest Lubbers zich ook nog verontschuldigen voor het feit dat hij had gesuggereerd dat de spijt van Japan het verleden had afgesloten.

Men ziet dat de Nederlandse overheid op het gebied van excuses enige oefening heeft. Overigens kwam het in oktober 1991 tot een vrijmoedige gedachtewisseling tussen koningin Beatrix en keizer Akihito over de gevoelens die in Nederland nog bestaan, en de keizer betuigde zijn gevoelens van droefenis hieromtrent. De Japanse pers reageerde destijds zeer positief op de `uitzonderlijk expliciete' woorden van de koningin, en het aansnijden van de kwestie bij de keizer, dat `zonder precedent' was.

Wat heeft Kok in het licht van dit alles bewogen tot het wederom eisen van excuses? Oprecht medeleven met de Indische oorlogsslachtoffers? Mogelijk. De hoop om (net als Lubbers destijds poogde) `een dikke streep te trekken' onder het Japans-Nederlandse oorlogsverleden, zoals deze krant het formuleerde? Waarschijnlijk. Opportunisme met het oog op het nakende keizerlijke bezoek? Evengoed mogelijk. Uit het perspectief van emotiebeheersing (in Nederland) was de missie in ieder geval geslaagd – zeker doordat het bericht van de minister-president dat het hier ging om ,,de eerste keer dat Nederlandse slachtoffers genoemd werden'' klakkeloos in de media werd overgenomen. (Zouden bij die `Nederlandse slachtoffers' de zeer talrijke Indonesische doden – destijds Nederlandse onderdanen – trouwens wel of niet inbegrepen zijn?) Uiteindelijk herhaalden de Japanners echter slechts wat ze sedert 1956 al diverse keren al dan niet vervuld van `oprecht berouw' aan ons land hadden gemeld.

De spijtbetuiging van Wim Kok aan de joodse gemeenschap over het onrecht en de kille ontvangst na terugkeer uit de vernietigingskampen heeft eveneens een interessante geschiedenis. Niet van een halve eeuw, maar van drie dagen. Het waren drie dagen van snel groeiende spanning onder het motto: doet-ie het wel of doet-ie het niet? Bedoeld was: excuses aanbieden.

Zo ging het: op woensdag 26 januari hield Kok een weldoordachte lezing op het holocaust-congres in Zweden, waarin hij de juridische nalatigheid, de gebreken in de opvang van kampslachtoffers en de historische context van de naoorlogse jaren schilderde. Zijn conclusie was: ,,Niet te snel met verwijten komen; ik zou eerder zeggen over de kille ontvangst en het gebrek aan begrip: het is te betreuren, dan: het spijt ons.'' Bovendien betoogde Kok opnieuw dat hij nu geen excuses kon maken namens een vorige generatie die naar zijn idee geen slechte bedoelingen had gehad.

Vervolg op pagina Z2

Voor deze nuances hadden de Nederlandse media weinig oor. Hun conclusie was duidelijk: hij deed het dus niet. Op donderdagochtend 27 januari stond als grote kop op de voorpagina van de Volkskrant: `Kok peinst niet over excuses aan joden'. Dat was het begin van een dag vol audiovisuele media-activiteit waarin leed, spijt, schuld en boete centraal stonden. Dat het ging over rechtsherstel, soms ingewikkelde juridische eigendomskwesties en de gebrekkige opvang na de oorlog, was bijzaak – eigenlijk ging het toch een beetje over goed en fout tout court. Die avond nog kopte deze krant: `Spijtbetuiging zou passend zijn'. En de volgende ochtend vond Kok op zijn ontbijttafel als opening van de Volkskrant: `Uitblijven excuses leidt tot boosheid' en pal daarnaast: `Kamer eist excuses Kok aan joden'.

Het was tijd voor damage control. Nog precies op tijd om door deze krant te worden gemeld kwam op diezelfde vrijdag (`na lezing van het Rapport Van Kemenade en een langdurige vergadering met collega-ministers') de verlossende verklaring van leedwezen, onder het verpletterende motto: ,,Een spijtbetuiging is een excuus dat zegt: het spijt ons.''

Dat hielp: de volgende dag kon Kok opgelucht ademhalen toen hij de opening van NRC Handelsblad las: `Waardering voor excuses Kok'.

Wat heeft de minister-president nu bewogen tot het inslikken van zijn standpunt over de nuances van moedwil en misverstand, om alsnog ronduit excuses aan te bieden uit naam van een generatie waarvoor hij eerst niet wenste te spreken? Oprecht medeleven met de joodse overlevenden over het deplorabel rechtsherstel en de weinig aangename ontvangst in Nederland een halve eeuw geleden? Mogelijk. Opportunisme? Evengoed mogelijk. Hij had veel korter dan Lubbers dat destijds deed inzake de gevoeligheden van de Indische oud-strijders voet bij stuk gehouden, en de politieke schade was dan ook een stuk minder groot.

Vandaar ook wellicht dat de minister-president desgevraagd op de televisie tamelijk achteloos verklaarde ,,geen moeite te hebben'' met het uitspreken van de constatering dat het Nederlandse optreden in het toenmalige Indië ,,spijtig'' was. Interessant is hierbij dat niet de Kamer maar diverse Nederlandse media op zo'n excuus voor het koloniale bewind hadden aangedrongen – overigens zonder te preciseren of het alleen ging om de politionele acties, of ook om de Atjeh-oorlog en het Cultuurstelsel. De opluchting in Het Torentje dat Indonesië onmiddellijk verklaarde helemaal geen behoefte aan spijtbetuigingen te hebben, zal er niet minder om zijn geweest.

Blijft de vraag of er dan vanuit geschiedkundig oogpunt, en in het licht van het onlangs verschenen Rapport Van Kemenade over met name het naoorlogse rechtsherstel, geen reden is voor de thans aangeboden excuses voor het gebrekkige rechtsherstel en de kille opvang na de oorlog. Was de commotie in de media inderdaad geworteld in een duidelijke en door kennis geschraagde visie op deze chaotische periode in de Nederlandse geschiedenis?

Eerlijk gezegd, is het antwoord: neen. De oorspronkelijk woorden van de premier waren waarschijnlijk beter en zuiverder gekozen, zowel vanuit juridisch en historisch standpunt als vanuit het standpunt dat excuses van overheidswege min of meer zijn gereserveerd voor zware wandaden, en niet voor maatschappelijke harteloosheid. Bovendien is deze problematiek geenszins zo onbekend en nieuw als in veel media werd gesteld. Recent was er bijvoorbeeld nog uitgebreid aandacht voor de falende opvang in Nederland bij de viering van vijftig jaar bevrijding in 1995, onder meer met uitvoerige televisiedocumentaires vol schrijnende getuigenverklaringen.

Ook werd reeds in de zomer van 1998 van overheidswege de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) opgericht die bedoeld is om de gebeurtenissen en ervaringen die verband houden met de terugkeer van oorlogsslachtoffers in kaart te brengen. Dan is er het boek Na de oorlog, de dissertatie uit 1997 van de politicoloog en filosoof Ido de Haan. Dit is een enigszins omstreden maar interessante poging om te verklaren hoe het komt dat de jodenvervolging in Nederland weliswaar nooit is verzwegen, maar dat de joodse gemeenschap pas in de jaren zeventig zelf daarover het woord nam.

In zijn optiek zijn niet zozeer de epochemakende boeken van Abel Herzberg, Jacques Presser en Lou de Jong hiervoor verantwoordelijk, maar wel de verbintenis tussen psychiatrie en oorlogstrauma's, zodat met een `politieke erkenning van psychisch leed' alsnog de overheid de joodse oorlogsslachtoffers (met uitkeringen en wetgeving) ter zijde kon gaan staan.

Kille opvang van degenen die de kampen hadden overleefd, was bovendien geen exclusief Nederlands verschijnsel. Het is goed gedocumenteerd in de Verenigde Staten (waar joodse vluchtelingen door joodse organisaties niet bepaald met open armen werden ontvangen).

Hiervoor zijn vele redenen te geven. In Nederland was zeker sprake van een latent antisemitisme. Een andere reden is echter het nu misschien moeilijk voor te stellen feit dat de holocaust aanvankelijk wereldwijd nauwelijks gezien werd als een aparte, unieke misdaad die wezenlijk anders was dan de uitroeiing door de nazi's van de miljoenen niet-joden.

Het woord `holocaust' als betiteling voor de Ondergang kwam pas in zwang in de late jaren vijftig. Dat betekent niet dat de openbaringen over de vernietigingskampen geen enorme indruk hadden gemaakt in de wereld, maar wel dat ze aanvankelijk niet of maar ten dele werden gezien als speciaal bedoeld voor joodse vervolgden. In de eerste naoorlogse jaren werd voornamelijk het woord `genocide' gebruikt, dat was geopperd door de Poolse jood Raphael Lemkin, die de drijvende kracht werd achter de Conventie van de Verenigde Naties tegen Genocide. In de eerste formulering van de VN heette het dan ook dat de nazi's onder meer `er op uit waren geweest Polen en Russen te verdelgen; en ze bijna slaagden in hun opzet in Europa de joden en zigeuners uit te roeien'.

Duidelijk is bijvoorbeeld ook dat in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog de holocaust nauwelijks leefde onder joodse intellectuelen en schrijvers in de VS. Zo noemde Norman Podhoretz in 1957 in zijn als grondleggend bedoelde artikel `The Intellectual and Jewish Fate' in Commentary de holocaust niet eens. Het Eichmann-proces in 1962 veranderde alles, en tegenwoordig beoordelen wij de geschiedenis van de twintigste eeuw in hoge mate in de slagschaduw van de shoah. Het is precies die slagschaduw die ligt over vrijwel alle recente excuses voor het verleden.

Dit is niet de plaats om in te gaan op allerlei – deels harde en pijnlijke vragen – die men hierbij kan en moet stellen. Onlangs verscheen het ophefmakende boek The Holocaust in American Life van de emeritus-hoogleraar geschiedenis Peter Novick, waarin deze vragen aan de orde komen: over de routinematige politisering van de holocaust, over de rol die hij speelt als zowat enige collectieve zelfdefinitie van een snel seculariserende en assimilerende joodse gemeenschap, over het probleem of onpeilbaar leed resulteert in morele superioriteit, over het vraagstuk hoe exclusief de shoah eigenlijk is (horen bijvoorbeeld de 3 miljoen uitgeroeide niet-joodse Polen er nu bij of niet?), en ook over de kwestie of heiliging van lijden niet tot automatische excuses leidt, en daarmee juist tot een trivialisering van het onzegbare.

Het zijn allemaal relevante vragen die een rechtstreekse relatie hebben met de spijtbetuigingen die nu allerwegen worden geëist en aangeboden. Zij kunnen ook licht werpen op de opmerking van Ronny Naftaniel van het Centrum Informatie en Documentatie Israel in het Historisch Nieuwsblad dat alleen joden recht hebben op excuus, `want het verhaal van bijvoorbeeld de homoseksuelen is heel anders'. In Nederland zijn deze vragen nog taboe. Zo zei de directeur van het NIOD, H. Blom, toen hij door deze krant werd gevraagd naar zijn mening over de excuses, het liefst helemaal niets: ,,Het is zo'n delicaat onderwerp, het ligt zeer gevoelig.''

Dit is een zonderling geschiedkundig ontwijkgedrag – en des te teleurstellender van een historicus die twintig jaar geleden het denken over de oorlog, met zijn genuaceerde perspectief van goed en fout, op een hoger plan tilde. Daartegenover klinkt de roep van R. Naftaniel dat de excuses ,,consequenties voor de geschiedschrijving'' moeten hebben, en werd het decor waartegen de spijtbetuigingen over de tafel gingen helemaal overheerst door het tweetonig repertoire van simplismen, dat de media oplegden aan een in wezen onoplosbaar vraagstuk.

Ik bedoel hier dat de mediacommotie over de aanvankelijke weigering van Kok om zijn `betreuren' om te zetten in `excuses' niet een geschiedkundige context had, maar geheel paste in het stramien van de benadering `leed + excuses = catharsis', die zo bekend is van de moderne emotie-televisie. Meer en meer raken kwesties die met de oorlog te maken hebben, aldus besmet en gebanaliseerd met hetzelfde palet van `gevoelens' dat in Goede Tijden, Slechte Tijden of huil-shows wordt geëxploiteerd. Dit is ook de reden dat de dag na de excuses in de media geen woord meer aan de kwestie werd vuilgemaakt. Hier was kortom geen nieuw historisch besef aan het werk, integendeel, het verleden diende als schaamlap voor het eigentijdse ahistorische en nuldimensionale wereldbeeld.

Daartegen is de nuance kansloos, dat heeft Wim Kok goed gezien. Het probleem is hier uiteraard niet dat het leed waarvoor de excuses zijn bedoeld niet reëel is, of dat getroffenen geen recht hebben op genoegdoening – of zelfs wraak. Neen, de kwestie is dat meer dan een halve eeuw na de oorlog individueel leed gestold is tot collectief leed, en dat dit collectieve leed trekken krijgt van een collectieve mythe, en dat die mythe speelbal wordt in een concurrentiestrijd om de schrijnendste emotie en de telegeniekste opinie, en niet om de meest intellectuele redenering of het meest bezonken oordeel.

Het debat over het verleden zal ondanks het verdampend historisch besef nooit ophouden. Maar de afstand tussen ons en de geschiedenis is wezenlijk, en kan niet overbrugd worden met excuses. Montaigne schreef: `Ik heb een hekel aan het aangewaaide berouw dat vanzelf met de jaren komt.' Men is geneigd hem gelijk te geven.