Niet elke gruweldaad is universeel delict

Het gerechtshof oppert een vervolging van Bouterse wegens folter en misdrijven tegen de menselijkheid. Opmerkelijk.

Berechting van de infame decembermoorden van 1982 in Suriname zelf lijkt verder weg dan ooit. En het einde van de verjaringstermijn komt in zicht. Nederland dan? Deze vraag is door nabestaanden voorgelegd aan het gerechtshof te Amsterdam. Er leek slechts een enkel juridisch aanknopingspunt: dat Bouterse als voormalig koloniaal militair de Nederlandse nationaliteit bezat. Het gerechtshof komt nu echter tot de conclusie dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren op de dag van de soevereiniteitsoverdracht.

Toch is nog niet alles verloren. Het hof komt met een opmerkelijke nieuwe variant: vervolging wegens folter of misdrijven tegen de menselijkheid. Dit zijn zogeheten universele delicten, die zozeer het geweten van de mensheid schokken dat ze overal ter wereld kunnen worden berecht. Of Nederland als rechter in aanmerking komt, laat het hof overigens nog open. Daarvoor is nader onderzoek nodig naar ,,enkele complexe vraagstukken van volkenrechtelijk gewoonterecht''.

Deze benadering biedt belangrijke perspectieven. Folter of misdrijven tegen de menselijkheid verjaren niet. Ook het nationaliteitsvraagstuk speelt niet direct een rol. Dat geldt niet alleen voor Bouterse als verdachte maar ook voor de slachtoffers. Eén daarvan, de journalist Frank Wijngaarde, had de Nederlandse nationaliteit behouden. Dat zou een Nederlandse strafvervolging mogelijk maken met als uitgangspunt het zogeheten beschermingsbeginsel: toepassing van het Nederlandse strafrecht op schending van onze rechtsbelangen in het buitenland.

Daarbij moet echter in de eerste plaats worden gedacht aan collectieve belangen, zoals de veiligheid van vliegtuigen en zeeschepen. Bij de bescherming van individuele rechtsbelangen plegen wij er toch vooral op te vertrouwen dat de buitenlandse staat zelf wel zal ingrijpen. Dat mag in het geval van een revolutionair bewind als dat van Suriname in de jaren tachtig rijkelijk naïef lijken, maar daaraan dacht niemand in de jaren tachtig van de vorige eeuw toen ons Wetboek van strafrecht tot stand kwam.

De Nederlandse nationaliteit van Wijngaarde speelt in elk geval een rol bij beantwoording van de vraag of Nederland de berechting op zich moet nemen. Deze vraag ligt minder eenvoudig dan wellicht lijkt. ,,Aanspraken op rechtsmacht die geen aanknopingspunt hebben bij de locus delicti (plaats van het misdrijf) noch bij de nationaliteit van de dader gaan zeer ver maar zijn tegelijkertijd zeer zwak'', waarschuwde de regering in 1984.

Het grootste struikelblok is de kwalificatie van de decembermoorden als folter en misdrijven tegen de menselijkheid. Er zijn aanwijzingen dat de slachtoffers van Fort Zeelandia gemarteld zijn. Juridisch is echter van belang wat het opzet van de daders was. Als het hen was begonnen om een standrechtelijke executie, zou dat, hoe cru het ook klinkt, toepassing van de uitvoeringswet van het internationale verdrag tegen folter kunnen blokkeren. Het systematische karakter van een meervoudige standrechtelijke executie is tegelijk een argument om te spreken van een misdrijf tegen de menselijkheid. Daarbij pleegt in de eerste plaats te worden gedacht aan gruwelen in tijd van oorlog. Maar het Joegoslavië-tribunaal heeft nog eens bevestigd dat ze ook kunnen worden begaan bij interne conflicten. Toch komt niet iedere gruweldaad in aanmerking. Het verschil tussen ,,gewone'' misdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid is wel getypeerd als: ,,er zijn misdrijven die ons mensen vrees aanjagen - en er zijn misdrijven die ons vrees aanjagen mens te zijn''. Dit is zonder twijfel een onderwerp waarover het internationale recht in ontwikkeling is, zei een van de Britse Law Lords in de zaak-Pinochet. Het Amsterdamse gerechtshof sluit daarbij nu aan. Maar de Law Lord waarschuwde ook: ,,staten gaan behoedzaam voorwaarts op dit terrein''.