Minaretten aan de Zaan

De vrijgevochten Ahmet vroeg de streng gelovige Vesile ten huwelijk. Ze trouwden keurig in de moskee. Waarom?

De Sultan Ahmet moskee, de grootste van Nederland, is sociëteit, theehuis, hangplek en gebedsruimte in één.

Maar fanatiek gebeden wordt er niet.

Açar is een Turkse Piet Bambergen. Grote buik, prethoofd, Amsterdams accent. Hij is tweede secretaris van de Sultan Ahmet moskee in Zaandam, de grootste moskee van Nederland. Meestal is hij te vinden in de theeruimte van de moskee. Een nogal kale plek met formica tafeltjes en veel rook.

Die theeruimte is het middelpunt. Formeel niet natuurlijk, formeel is de grote gebedsruimte dat. Maar daar is het zelfs tijdens het gebed nogal stil. Alleen op vrijdagen en feestdagen is het druk. In het caf‚ daarentegen zitten altijd mannen. Leren jack, snor, sigaret. Ze ontmoeten er hun vrienden, pikken iets op, doen wat zaken en drinken een kopje sterke thee met belachelijk veel suiker. Het is een stukje Turkije in Nederland, zoals Ali het uitdrukt.

Er komen verschillende generaties. Ali is dertig. Een trotse Turk en een gelovig moslim, zeker. Maar ook een typisch Amsterdamse metrobestuurder. En een Turks/Nederlandse vader. Hij heeft twee zoontjes. Thuis wordt Turks gepraat, op school Nederlands. De band met Turkije zal langzaam verwateren, denkt Ali: 'Mijn kinderen zullen Turkije alleen nog kennen als vakantieland. Zij hebben geen heimwee meer naar Turkije.'

Rond ons zit de eerste generatie. Vaal jasje, openstaand hemd en mutsje. Sommigen komen naar de moskee om te bidden en blijven vervolgens plakken. De meesten komen om te plakken en de verveling te verdrijven. Ze zitten in de Ziektewet, hebben alleen Turkse vrienden en spreken geen woord Nederlands. Ze praten over hun kinderen, hun vroegere werk en over Turkije. 'Wat een zooitje en wat een prachtig land. Ooit gaan we terug.' Maar ze gaan nooit meer terug, zeggen de jongeren. 'Ja, als ze dood zijn, dan gaan ze terug.'

Op hun balkon hebben ze een schotel, twaalf Turkse zenders. Nederlandse televisie kijken ze nooit. Een brief naar de Sociale Dienst wordt geschreven door hun zoon of door iemand van het moskeebestuur. Als ze huursubsidie aanvragen, vult hun dochter het formulier in. Ze leven nog in de tijd dat ze hiernaartoe kwamen, zeggen de jongeren. Ze leven in Turkije in Nederland. Zij hebben wel heimwee.

Klein Ankara in de polder

Vanaf de snelweg zie je de moskee liggen. Een vierkante, zandstenen doos met een grote koepel en twee minaretten, 3.200 vierkante meter, acht miljoen gulden, vijf jaar geleden geopend, plek voor zeker tweeduizend mannen. Vrouwen komen er zelden. Van binnen is de moskee kleurig: blauwe tegeltjes in de gebedsruimte, turquoise wasplek, een fonteintje bij de ingang. Voor de deur hangen de Turkse en de Nederlandse vlag. Daarachter staan de flats, met schotels en wasgoed.

In de flats wonen bijna alleen maar Turken. De wijk heet officieel Poelenburg, maar Zaandammers hebben het meestal over Turkenburg. De Turken kunnen zich daar niet druk over maken. Zelf hebben ze het altijd over klein Ankara - hun geuzennaam voor een Turkse gemeenschap in de polder.

De wijk werd ruim dertig jaar geleden gebouwd met hulp van de Zaanse industrie - grote bedrijven als Albert Heijn, Verkade en Bruynzeel. Eind jaren zestig kwamen de eerste Turkse mannen. Sommigen hadden zich aangemeld bij het Turkse arbeidsbureau, anderen werden simpelweg in de Turkse dorpen geworven door de Zaanse industrie. Wie genoeg spieren had kon komen, vertellen de mannen.

In Zaandam aangekomen werden ze in pensions gestopt, of in barakken op het terrein waar nu het crematorium is. Een paar jaar later kwamen hun vrouwen en kinderen. Toen werden alle Turken bij elkaar geplaatst in de goedkope flats in Poelenburg.

Er is groen, kinderen spelen op straat en de criminaliteit is niet hoger dan in andere wijken. Maar de Nederlandse groenteboer, bakker en snackbar werden in de loop der jaren een Turkse groenteboer, bakker en shoarmatent. De Dienst Welzijn vindt 'de hoge concentratie allochtonen' (lees: Turken) in de wijk een minpuntje, net als de zwarte scholen, de lage gemiddelde inkomens en de hoge werkloosheid. De flats in Poelenburg zijn inmiddels oud en soms vervallen. Er is leegstand.

Maar er is iets grappigs met Poelenburg: het is een wijk met twee gezichten. Aan de ene kant staan die oude flats waar vrijwel alleen Turken wonen. Aan de andere kant ligt 'de Goudkust'. Eengezinswoningen en villa's, bewoond door Nederlanders met aardige inkomens. Er is een kinderboerderij. Vrouwen in wax-coats laten hun labrador uit in het parkje.

De bewoners van de Goudkust klagen dat er 'zwerfvuil' op straat wordt gezet. Het geeft de wijk zo'n armoedige uitstraling, zeggen ze. Net als al die satellietschotels, en het wasgoed aan de balkons. Dat zien ze als 'landschapsvervuiling', zo valt te lezen in de notulen van het wijkoverleg. Allemaal gezeur, volgens de Turken. De twee werelden passeren elkaar op straat.

Ik ga niet trouwen

Mesut is een kleine jongen, 25 jaar, met een buik en strak achterovergekamd haar. Ik ontmoet hem in de theeruimte. We praten over voetbal - daar wordt altijd over gepraat - maar ook over verschillen tussen ouders en kinderen. 'Ik ben erg ongelukkig', zegt Mesut plotseling.

Ik ben met stomheid geslagen. Turkse jongens doen vaak stoer. Ze vertellen dat ze uit zijn geweest in de it, dat er flink veel pillen en drank doorheen zijn gegaan en dat ze dit uiteraard niet aan hun ouders vertellen. Ze zijn trots dat ze Turk zijn, kloppen zich op de borst en geven tegelijkertijd af op hun 'hopeloos ouderwetse' ouders. Andere jongens zijn rustiger. Die komen af en toe naar de moskee, hebben standaard 'veel respect' voor hun ouders en vertellen over hun opleiding. Alles gaat altijd prima.

Maar met Mesut gaat het helemaal niet prima. 'Ik had altijd ruzie met mijn vader, altijd. Ik wilde uit, dat mocht niet. Ik wilde omgaan met een Nederlands meisje, dat mocht niet. Hij vroeg steeds waar ik was, en met wie. Hij wil alles op zijn manier. En ik wil hem geen pijn doen, uit respect. Hij is toch mijn vader.'

Mesut leefde tot zijn negentiende 'een beetje stiekem'. Die zomer ging de familie op vakantie naar Turkije, met z'n allen in de auto. Mesut voelde nattigheid. Hij zei: 'Ik ga niet trouwen'. Pats, klap van zijn vader. 'Wat ga je dan doen, naar de hoeren?'

Het huwelijk bleek al geregeld. Mesut zou trouwen met de zus van de vrouw van zijn oom.

Hij pauzeert, ik vraag waarom hij niet weigerde. 'Wat ik wilde was niet belangrijk. Ik kon geen nee zeggen, dat durfde ik niet.' Hij trouwde drie dagen nadat hij zijn vrouw leerde kennen. Was het een feest? Nou nee, dat niet. Vier maanden later kwam zijn vrouw naar Nederland.

Mesut: 'Ik had mijn leven in handen van mijn ouders gelegd. Daar kreeg ik steeds meer spijt van. Het eerste jaar ging nog wel. Maar ik realiseerde me ook dat ik hier niet zelf voor gekozen had. Ik was eigenlijk niet bereid. Dat ben ik nog steeds niet. Als je het mij nu zou vragen, zou ik ook niet willen trouwen.'

Hou je van je vrouw? 'Nee. Ik probeer het wel, maar het lukt niet.'

Het gaat knagen en Mesut wordt verliefd op een Nederlands meisje. Hij is dan 22, twee jaar getrouwd. 'Ik voelde liefde. Voor het eerst in mijn leven.' De liefde is niet wederzijds. Op een avond, in het caf‚, wordt hem dat duidelijk gemaakt. 'Toen heb ik mij teruggetrokken. Ik heb ook mijn eer.' Maar ondertussen voelt hij zich steeds slechter, het gaat mis op zijn werk, hij maakt schulden en loopt weg van huis.

'Ik wilde scheiden. Ik denk nooit aan mijn vrouw. Geen seconde.' Hij stapt naar een advocaat en vertelt het aan zijn ouders. 'Toen heeft mijn vader iets gedaan dat ik hem nooit kan vergeven. Hij verliet mijn moeder en zei: ik kom pas terug als jij belooft dat je niet gaat scheiden.'

Mesut moet kiezen tussen de eer van zijn moeder en de wens om te scheiden. 'Dat heeft mij veel pijn gedaan. Ik heb gehuild en getwijfeld. Na twee weken heb ik besloten dat ik mijn moeder niet te schande kon maken. Ik ben bij mijn vrouw gebleven. Maar mijn vader kent mijn gevoelens niet. Hij heeft mijn leven bepaald. Met goede bedoelingen, maar met heel slechte gevolgen.'

Een flat in Turkenburg

Oude Turkse mannen verander je niet meer. Jongeren zijn tweeslachtig. Behoud van de Turkse cultuur vinden ze heel belangrijk - trouwen en kinderen krijgen om de nationaliteit en cultuur te verspreiden. Een Turks meisje mag niet trouwen met een Nederlandse jongen. Zij zou haar naam verliezen, de kinderen zouden Nederlands zijn en die Nederlandse jongen is geen moslim.

Tegelijkertijd zeggen jonge Turkse ouders dat ze zich willen aanpassen. Hoe dan? Door de goede dingen van de Nederlandse cultuur over te nemen. Welke dan? Netjes in de rij staan, niet zo agressief autorijden, beter georganiseerd zijn.

Alle ouders die ik spreek willen niets liever dan dat hun kinderen een zo hoog mogelijke opleiding volgen. Universiteit, dat vinden ze wel mooi. Maar als hun zoon achttien is, willen ze graag dat hij gaat werken om het gezinsinkomen een beetje op te krikken. En als hun dochter twintig is, wordt het toch tijd dat ze gaat trouwen, met alle bijbehorende huishoudelijke verplichtingen. Laat maar zitten, die universiteit. Het blijft dubbel.

Er wordt in de moskee veel gepraat over huizen. De flats zijn klote, natuurlijk. Maar er is ook een andere reden, zegt Ali. 'Als je hier woont, loop je op straat tussen de Turken. In het caf‚ zijn Turken. Ik doe boodschappen bij een Turkse winkel en kijk Turkse televisie. Dat is natuurlijk niet goed voor de aanpassing.' Veel Turken willen daarom weg uit Poelenburg.

Elke woensdagochtend komt het nieuwsblad De Zaankanter met het supplement Wonen in de Zaanstreek. In de theeruimte van de moskee worden de advertenties gespeld. Selami Bulbul, een vriend van Ali, is al tijden op zoek. Hij vreest dat zijn dochter geen Nederlands leert als ze opgroeit in Poelenburg en naar een school gaat met bijna alleen Turkse kinderen. Het probleem is dat de woningbouwvere-niging hem steeds weer een flat in Poelenburg aanbiedt.

In De Zaankanter staat deze woensdag weer een aardige een gezinswoning, Selami reageert voor de zoveelste keer, maar krijgt twee weken later te horen dat hij kansloos is. Ze hebben nog wel een flat in Poelenburg voor hem. Zo gaat het steeds, en niet alleen bij Selami.

Het leidt tot frustratie: de Turken in Poelenburg hebben het idee dat ze nog steeds allemaal bij elkaar worden gezet. Ze willen een beter huis in een betere buurt, ze vinden het huidige beleid 'slecht voor de integratie'.

Dat klinkt alsof ze Turkije hebben losgelaten, maar dat is schijn. Alle Turken in Poelenburg hebben ook nog een huis in Turkije. Echt allemaal. Waarom in hemelsnaam? 'Tsja, dat is je toekomst', zegt Ali. Stiekem weet hij dondersgoed dat hij nooit teruggaat naar Turkije, maar hij zal het niet hardop zeggen. Hij wil het niet vastleggen. Op dezelfde manier gruwt elke Turk bij het idee zijn of haar Turkse paspoort te moeten opgeven. Hoe hard ze ook zeggen dat Nederland hun land is geworden en Zaandam hun stad - loslaten blijft moeilijk.

Neem het trouwen. Turken huwen vrijwel exclusief in eigen kring. Negentig procent van de bijna 300.000 Turken in Nederland trouwt met iemand van Turkse afkomst. In geen andere etnische groep is dat percentage zo hoog. Turkse jongens hebben nog weleens een Nederlandse vriendin, maar als puntje bij paaltje komt kiezen ze voor een Turks meisje.

Van losbandige jongen tot vrome huisvader

Na het vrijdaggebed ontmoet ik Ahmet Boçkun. Type Nederlands fotomodel van Turkse afkomst. Hij was op zijn vijftiende al zo vernederlandst dat hij weigerde met zijn ouders terug naar Turkije te verhuizen. Hij ging bij zijn tante wonen en had allerlei vriendinnen. 'Nederlandse, Turkse, Surinaamse, Italiaanse, nou ja, je weet hoe dat gaat als je vrijgezel bent.'

Toen ik hem voor het eerst ontmoette, was hij nog vrijgezel. Nu niet meer. En het moet gezegd: Ahmet is veranderd of Ahmet doet alsof hij is veranderd. Van een enigszins losbandige Nederlandse jongen in een vrome Turkse huisvader.

Vier dagen voor zijn huwelijk vertelt hij hoe hij zijn verloofde Vesile heeft ontmoet. Hij zit op een klein krukje in een leeg huis, het huis waar ze over vier dagen samen gaan wonen. De muren zijn pastelblauw geschilderd, met hulp van de familie.

Ahmet had drie jaar geleden een adviesbureautje en kwam regelmatig bij de familie Cebeci. Vesile was er nooit, want zij woonde in een internaat voor moslimmeisjes in Utrecht. Ze ging daar op haar dertiende naar toe en kwam eens in de twee maanden thuis.

Vesile is zeer gelovig. Na de islamitische school bleef ze nog drie jaar in het internaat om koranles te geven aan jonge meisjes. Een jaar geleden kwam ze weer thuis wonen. Als Ahmet langskwam om adviezen te geven, verborg Vesile zich in haar kamer. 'Vreemde mannen mogen mij niet zien. Ze mogen eigenlijk ook mijn stem niet horen.'

Maar ze had een computer nodig en nood breekt wet, ook in de islam. Dus vroeg ze Ahmet om advies. Tijdens het gesprek stond ze chter hem. Ahmet, lachend: 'Ik ben dat niet gewend, weet je. Ik ben wel Turk, maar ik ben modern.'

Ahmet stelde voor om samen naar de Macro te gaan. Dat kan natuurlijk helemaal niet, met zijn tweeën naar de Macro, dus Vesile wilde vrienden meenemen. Dat liep mis, zodat ze toch met z'n tweeën gingen. Ahmet: 'Ik dacht: Allah, help me. Ik mag niks oneerbaars doen. Ze liep de hele tijd achter mij. In de auto zat ze achterin. Af en toe keek ik in de achteruitkijkspiegel, maar ze keek steeds naar beneden.'

De missie mislukte, dus ze gingen nog een tweede keer. Vesile's moeder werd zenuwachtig. Ahmet stelde haar gerust: 'Ik zei tegen haar: héé ik wil ook geen slechte naam, mijn eer staat ook op het spel. Ze vertrouwde mij wel, maar wat zouden de buren denken?'

Ahmet en Vesile hebben iets met elkaar, zouden de buren on getwijfeld gedacht hebben. En geroddel is bad news. Een meisje uit Poelenburg licht toe: 'Ik heb geen vriend, maar als ik met mijn buurjongen op straat loop, gewoon mijn buurjongen, dan begint meteen iedereen te zeiken dat wij iets met elkaar zouden hebben. In een paar uur weet heel Poelenburg dat. En vervolgens heb ik mijn ouders op mijn dak, omdat de buren over mij praten.'

Vesile's moeder is van de oude stempel. Ze had al een paar keer geprobeerd om haar dochter uit te huwelijken. Vesile mocht dan vijftien minuten met zo'n jongen praten. Daarna was het ja of nee. Het was telkens nee. 'Voor zo'n serieuze beslissing moet je iemand wel kennen, dat kan niet in vijftien minuten', zegt Vesile achteraf. Ahmet: 'Vesile lijkt van buiten heel traditioneel, maar van binnen is ze modern.'

In elk geval nam zij het initiatief. 'Ze stuurde mij een pakje op mijn verjaardag, met een roosje en een heel lief briefje erbij.'

Vesile doet of ze Ahmet gaat slaan - dat hij dit vertelt! Dit is wel erg priv‚! Ik vraag of ze hem leuk vond, toen ze het pakje stuurde. Ja, ze vond hem leuk. Voor Ahmet kwam dat later. Hij belde om te bedanken en stelde voor iets te gaan drinken. Waar? In de Macro natuurlijk.

Tegenover elkaar, het eerste oogcontact, verhalen over familie en vrienden en geloof. Ze wisselden na het Macro-bezoek 06-nummers uit. Daarmee begon het pas echt, vanaf dat moment konden ze onopgemerkt praten. Een zegen voor Turkse meisjes, zo'n gsm.

Maar dan? Ahmet wilde samenwonen, al wist hij ook wel dat dat totaal uitgesloten was. 'En de verkering stiekem doorzetten werd te link, stel je voor dat iemand erachter zou komen! Bovendien: ik kon alleen maar naar haar kijken. Daar word ik niet blij van, zo zit ik niet in elkaar.'

Na veel gedraal besloot hij haar, over de mobiele telefoon, ten huwelijk te vragen. Vesile zei 'ja'. Ze moest zelf haar moeder inlichten, Ahmet was te schijterig. Moeder twijfelde inderdaad: kwam Ahmet wel uit een goede, religieuze familie? Vesile speelde het hard: ik trouw met Ahmet of ik trouw nooit.

Ahmets familie reageerde verbaasd: hij met zo'n islamitisch meisje, na al die vriendinnen? Zijn verklaring is heel simpel: 'Ik hou van haar.' Maar zijn verklaring is ook heel Turks: 'Ik weet dat ik haar kan vertrouwen. Ik ben voor haar de eerste man. Dus het is Ahmet en niemand anders.'

Turkse zieltjes winnen

De dag na de bruiloft van Vesile en Ahmet zit Ali, de metrobestuurder en tweede secretaris van de moskee, uitzonderlijk chagrijnig in de theeruimte. Trabzonspor-Fenerbahçe: 2-0. Ali is geboren op honderd meter van het stadion van Fenerbahçe.

De dag voor de wedstrijd heeft hij Selami nog tot op het bot getreiterd. Selami komt uit Trabzon. Hij is een aardige jongen die niet zo makkelijk uit zijn woorden komt. Omdat hij uit Trabzon komt, beweert Ali. Daar wonen de boeren van Turkije; die zijn niet zo snugger. Geintje.

Ali en Selami slaan de preek van de imam meestal over. Aan vijf keer per dag bidden komen ze al helemaal niet toe. Te druk. 'Het moet ook vanuit mijzelf komen', verklaart Ali. Hij wil niet bidden omdat anderen zeggen dat het moet, of om gezien te worden. Maar ja, hij komt tenminste nog regelmatig in de moskee. Dat kan van de meeste Turken niet gezegd worden.

Misschien dat een kwart van de mannen uit klein Ankara in de Sultan Ahmet moskee komt, gokt Bahtiyar €eçen, de voorzitter van de moskee. 'Vijftig procent komt helemaal nooit. En de rest gaat naar een moskee van een andere stroming.' Ook Turken kampen met ontkerkelijking - of ontmoskeeïng - en met een richtingenstrijd.

De drie belangrijkste stromingen proberen al sinds de komst van Turken naar Nederland zieltjes te winnen. In de jaren zeventig was er nog een vacuum: geen moskeeën, geen organisaties. Toen die met hulp uit Turkije als paddestoelen uit de grond schoten, ontstonden ook conflicten: wie vertegenwoordigt de Turkse gemeenschap, wie richt waar een moskee op. Inmiddels zijn de verhoudingen een beetje uitgekristalliseerd en lijkt de strijdbijl begraven.

De Suleymanli, volgelingen van de geleerde Suleyman Hilmi Tunahan, zijn erg recht in de leer. Ze hebben ongeveer dertig moskeeën in Nederland, maar ook internaten voor kinderen. Vesile, de vrouw van Ahmet, woonde zes jaar in een Suleymanli-internaat.

De Milli Gorus is groter, runt vijftig moskeeën en is vooral onder jongeren erg actief - er zijn naar schatting zestig jongerenclubs. Met voetbalwedstrijden op groot scherm, reisjes en activiteiten probeert de Milli Gorus jongeren de moskee in te krijgen. Critici beschuldigen de Milli Gorus ervan fundamentalisten in schaapskleren te zijn. Onzin, zeggen de aanhangers, wij zijn hoogstens streng religieus en verwant met verboden moslimpartijen in Turkije.

De Diyanet, het Turkse ministerie van Godsdienstzaken, is opgericht om een dam op te werpen tegen fanatieke moslims. In Nederland is de Diyanet de grootste organisatie, met 140 aangesloten moskeeën. Ankara benoemt en betaalt de imams, staat garant voor de hypotheek op het gebouw, ondertekent de contracten, ontvangt bijdragen van moskeebezoekers en houdt een religieus oogje in het zeil.

De Sultan Ahmet moskee hoort bij de Diyanet. Aan de muur van de bestuurskamer hangt een kaart van Nederland met alle Diyanet moskeeën. Op de das van de voorzitter prijkt altijd het bijbehorende speldje, op zijn bureau staat het vlaggetje.

Wordt de moskee bestuurd door Turkije? Indirect. Ankara geeft de grenzen aan waarbinnen het bestuur van de moskee kan opereren.

Politiek hoort niet in een moskee

De imam van de Sultan Ahmet heet Faruk Gorgulu. Een klein, dun mannetje met een klein, dun snorretje. Tijdens de selectieprocedure vroeg de Diyanet wat zijn politieke kleur is. 'Ik zei dat ik geen voorkeur heb. Politiek hoort niet thuis in een moskee. Er zijn zoveel partijen; als je er één kiest, stoot je alleen maar mensen af.' Dat was het goede antwoord.

Politiek in de moskee is verboden, de Diyanet wil de islam buiten de politiek houden. Bovendien wil Ankara geen mensen afstoten, maar juist proberen de band met het vaderland warm te houden. Turken in Nederland sturen veel geld naar huis, Ankara ziet die deviezenstroom niet graag opdrogen.

Maar ja, de jongeren komen niet erg in de moskee. Er is een jongerenclub die dingen wil organiseren - een voetbaltoernooi, een uitje. Er zijn tafelvoetbaltafels en biljarts in de ruimte onder de moskee. Maar het is er doodstil. Jongens uit de buurt vinden de sfeer 'stijf'. Boven zit je vader of de buurman. Dan kan je niet roken, vloeken en naar een dubieuze film kijken. Laat staan een biertje drinken. Dus hebben ze een eigen jongerencentrum opgericht, een paar straten verder.

De jongeren raken losgezongen van het geloof. 'Een heel klein deel' houdt zich aan de islamitische leefregels, constateert Faruk. Hij heeft gelijk. Vraag een Turkse jongen of meisje naar zijn of haar geloof en het antwoord is 'moslim'. Vraag vervolgens wat hij of zij daar in de praktijk aan doet. 'Niet zo veel.'

Natuurlijk, ze eten geen varkensvlees en vieren de grote feest dagen. Maar slechts een enkeling bidt elke dag. Van de duizenden Turkse jongeren in Poelenburg komen er voor het belangrijke gebed op vrijdag misschien honderd naar de Sultan Ahmet. 'Het gaat er niet om wat je allemaal doet of laat, als ik in mijn hart maar geloof', zegt de een. 'Het komt later wel', redeneert de ander.

Aan imam Faruk de taak ze een beetje op het rechte pad te brengen. Hij is zelf pas 32 en vindt dat 'je niet moet wachten tot later' met de uitoefening van het geloof. Hij is zijn hele leven al aan het leren. Op zijn twaalfde ging hij naar een mosliminternaat. Eigenlijk wilde hij daarna dokter worden, vertelde hij op een avond, maar hij zakte voor het toelatingsexamen. Op de theologische faculteit in Izmir haalde hij de hoogste cijfers. Hij sport niet en ziet er ook een beetje uit als een studiebol, met zijn grote bril. De Diyanet ontdekte hem en liet hem preken in de grote moskee van Izmir, voor 20.000 mensen.

En nu dan in Zaandam, voor een handjevol koppige ouderen en afwezige jongeren. Saai? Nee hoor, volgens Faruk. Tijdens zo'n preek vertelt hij keurig netjes dat je 'een goed mens' moet zijn, in god moet geloven en je aan de wetten van de islam moet houden. Als man mag je niet naar andere vrouwen kijken. Je mag geen goud dragen, niet stelen en gokken. Roken is niet verboden, maar wel 'vies'. En je mag in Nederland niet zomaar vuil op straat zetten. Niemand luistert. Er worden wel bankstellen op straat gezet, er wordt veel gerookt, een gouden ketting is mooi en als er in de theeruimte een vrouw op de televisie is, verstommen de gesprekken. 'Het is een beetje als een klas met lastige leerlingen. Ze hebben geen zin om te luisteren', zegt een van de vaste bezoekers van de moskee. Secretaris Ali, met grijns: 'Wij zijn een eigenwijs volkje.'

Faruk blijft proberen. Hij bezoekt zieken, geeft mensen raad, bemiddelt tussen ouders en kinderen. Dat vindt hij leuk, vertelt hij terwijl hij rondsloft in zijn flatje in de moskee. De imam woont in de Sultan Ahmet. Aan de muur hangen foto's van zijn vrouw en kinderen. Die komen naar Zaandam als zijn vrouw klaar is met haar opleiding tot koranlerares.

Hij mist hen, ook al is hij bijna altijd bezig. Hij is iemand van de tijd en de klok. Steeds als ik hem spreek, kijkt hij verontschuldigend naar zijn horloge: sorry, tijd voor het gebed. Op vrijdagavond organiseert hij gespreksavonden met brave jongeren - er zijn vijf jongens, de keer dat ik erbij ben.

'Je moet niet naar een caf‚ gaan, maar naar de moskee', zegt Faruk tegen de jongens. Ze kijken gehoorzaam. Een van hen verzamelt wat moed en vertelt dat hij ruzie heeft met zijn vader. Hij wil af en toe wel uitgaan, want al zijn vrienden gaan uit. Maar zijn vader verbiedt het. Wat te doen? Hangt ervan af, zegt Faruk. 'Als het een slechte plek is waar gedronken wordt, dan ga je dwalen.'

Ik leg de imam een dilemma voor dat ik op een avond van een meisje hoorde. Ze is achttien en trendy gekleed. Van haar ouders mag ze best een kort rokje dragen, maar het kan niet omdat 'de omgeving dan achter mijn rug zou gaan praten'. Die sociale controle vindt ze belachelijk, maar ze trekt toch maar een (weliswaar erg strakke) broek aan.

Ze heeft een vriend, die ze verborgen houdt voor haar ouders. Hij woont ook in Zaandam, maar ze zien elkaar alleen in Amsterdam. Dat is normaal voor Turkse meisjes met een vriend. Heeft ook weer met de buren te maken. 'Mijn ouders zouden het best accepteren, maar ze willen niet dat iedereen slecht over ons zou praten. Ik word dus eigenlijk gedwongen tegen mijn ouders te liegen.' Ze vraagt zich af of ze, uit respect voor haar ouders, toch open kaart moet spelen. Ik stel de vraag aan Faruk.

Zijn antwoord: 'Ze moet besluiten te trouwen.' Maar dat wil ze helemaal niet, werp ik tegen. Ze wil gewoon met die jongen zijn en dan maar zien wat er van komt. Faruk: 'Ik ben een vertegenwoordiger van de islam, dus ik moet antwoorden dat ze moet trouwen of die jongen niet meer moet zien.' Alle adviezen van Faruk zijn direct te herleiden tot de koran. Hij weet ook wel dat dat zijn clientèle beperkt, maar het is nou eenmaal waar hij in gelooft.

Het bovenlijf van de profeet

Yusuf Ölmez had een droom. Hij zag het bovenlijf van de profeet voor de moskee staan. De profeet zei niets. Het was in een periode dat het niet zo best ging met Yusuf. Hij gokte, zat de hele dag in het theehuis te kaarten, de relatie met zijn vrouw en kinderen verwaterde, het kaarten kostte veel geld. Zijn tweede dochter overleed 33 dagen na haar geboorte. Tot overmaat van ramp werd hij een jaar lang zwaar depressief.

Maar toen dus die droom. Yusuf stapte naar de imam, om te vragen wat de droom betekende. De imam vertelde over een droom die zijn vader had gehad: hij stond op de rand van een afgrond, dreigde te vallen, maar de profeet pakte hem bij zijn arm. Zijn vader werd wakker met blauwe plekken op zijn arm. Echt waar, volgens Yusuf. Bovendien vertelde de imam, dat als je de profeet ziet in een droom, dat hij zich dan aan je heeft geopenbaard. Vanaf dat moment is Yusuf gelovig, en niet zo'n beetje ook.

Het huis van de familie Ölmez hangt vol met religieuze memorabilia. Een kleedje met koranteksten, een maquette van de moskee in Medina en een foto van Yusuf op bedevaart in Mekka. Een grappige foto: Yusuf lijkt met zijn rode PLO-sjaal en dikke baard op een clich‚-terrorist. Volgens zijn dochter ziet hij eruit als een Palestijnse broodbakker. Zij zit in vijf gymnasium, het eerste Turkse meisje uit Poelenburg dat het zo ver schopt. Haar va'er heeft gezegd dat ze de lat zo hoog mogelijk moet leggen. Uitgaan doet ze niet, wil ze niet en mag ze niet. Elke donderdagavond leest de familie samen de koran.

Gulsan, de vrouw van Yusuf, serveert zoet gebak. Ze is gezellig gebouwd en werkt heel af en toe in een tomatenplukkerij. In de vitrine en op alle tafels ligt haar bezigheidstherapie: gehaakte kleedjes. Verder kijkt ze televisie en doet ze het huishouden.

Ze zou wel meer willen werken, maar dat vindt Yusuf niet goed. Tijdens een kopje thee in de moskee legt hij uit waarom: 'Halve dagen goed. Maar hele dag bloemenveiling niet goed. Ik thuiskom, ik lekker eten, huis schoon.' Veel Turkse vrouwen klagen over verveling. Naar de door de buurt georganiseerde koffie-ochtend, computerles of zwemclub gaan ze niet.

Na de reis naar Mekka heeft Yusuf zijn baard getrimd, zijn haar is kort. Hij draagt bijna altijd hetzelfde groene jasje. Als hij lacht, kijkt hij naar beneden. Hij is metaalbewerker in de Ziektewet. Yusuf Ölmez woont zo ongeveer in de Sultan Ahmet moskee. Zijn zoon Yunus (12) stuurt hij naar koranles.

Vijftien Turkse jochies, allemaal kort donker haar en een beetje verlegen, zitten in de gebedsruimte van de moskee. Voor hen ligt de koran opengeslagen op lage houten tafeltjes. Het is zondagochtend.

In de ruimte ernaast dreunen dertig meisjes versjes op uit de koran. In het Arabisch: 'Het hiernamaals is echt beter dan het tegenwoordige bestaan.' Vijf tot twaalf jaar, allemaal met hoofddoekje. Ze moeten één voor één voor de klas staan en een stukje voordragen dat ze thuis hebben ingestudeerd. Braaf studieclubje. 'Allah is groot', zegt een meisje. 'Allah is groot', zegt de klas haar na.

Ook de jongens lezen om de beurt uit de koran. Haperend meestal. 'En wij hebben de mens zorg voor zijn ouders opgedragen.' Ze kunnen het Arabisch wel lezen, maar niet begrijpen. De hoca (leraar) knikt, zucht, geeft aanwijzingen en huiswerk. Volgende week hoofdstuk drie. Eerst nog het afsluitende gebed.

Yunus Ölmez is aan de beurt. Hij gaat in het midden staan en kijkt naar de grond. Hij houdt van computerspelletjes. Op de kamer van zijn zus liet hij een stapel cd-roms zien: Formule 1, Grand Prix van Monaco, Top Gear. Toegang tot Internet heeft hij niet. Dat vindt papa niet zo'n goed plan. Hij houdt ook van voetbal, speelt in de D2 en is een beetje gezet.

Yunus prevelt: 'In de naam van God, de erbarmer, de barmhartige. U dienen wij en U vragen wij om bijstand.' Ondertussen knielt hij op het juiste moment, raakt op het juiste moment met zijn voorhoofd de grond aan. Hij maakt het gebed af en kijkt naar de hoca.

'Ik heb één fout gezien. Welke?', vraagt de leraar. Yunus gaat bedremmeld zitten. De andere jongens zwijgen. De leraar vraagt nog een keer: 'Welke fout heeft hij gemaakt?' Yunus lijkt in het tapijt van de moskee te willen verdwijnen.

Hij is vergeten te zeggen: 'Wij vragen God ons te beschermen tegen de duivel'. Na afloop vraag ik hem of hij in god gelooft. Ja, mompelt hij. Koranles vindt hij 'wel leuk'. Waarom? Hij maakt zich klein, haalt zijn schouders op en geeft dan het antwoord dat zijn vader ook al gaf: 'Ik wil graag de koran lezen en leren over het geloof.' Yunus is, net als zijn vader, een uitzondering.

Vier uur preken over het huwelijk

Ahmet wilde niet in de moskee trouwen, maar Vesile stond erop. Het wordt een stijve bedoening in de kelder onder de Sultan Ahmet. Mannen en vrouwen zijn gescheiden door een geïmproviseerd gordijn. Zelfs de voorzitter van de moskee windt zich daarover op: 'In de lift: mannen en vrouwen samen. In de bus: samen. Waarom is dit nodig? Sommige mensen zijn dom.' De uitgaansvrienden van Ahmet vinden het al helemaal niks. 'Dat deden ze vierhonderd jaar geleden.'

Vier verschillende imams preken in totaal vier uur lang over het huwelijk. De vrouw hoort het huishouden te doen en voor de kinderen te zorgen. De man hoort te werken. Je moet kinderen nemen om het geloof te verspreiden. De beide echtgenoten horen respect voor elkaar te hebben en elkaar trouw te zijn. Tussendoor vertellen ze verhalen uit de koran en de overleveringen van Mohammed. Tamelijk saai.

Er is pizza en cola. Aan het eind van de bruiloft dansen een paar mannen. De vrouwen, massaal met hoofddoek, blijven zitten.

Een paar weken later raak ik verzeild op een 'echte' Turkse bruiloft. Daar gaat het er heel anders aan toe. Muziek, drank en dansen.

Voor het feest rijdt het bruidspaar in een superstretched Chrysler-limousine door de wijk. Heel Poelenburg stroomt uit om te zwaaien. Daarna gaat de stoet Turken in Mercedessen en Opels al toeterend door het Hollandse polderlandschap, op weg naar Beverwijk. Het heeft iets onwerkelijks.

De favoriete stek van Poelenburgers is de Alladin-zaal op de zwarte markt in Beverwijk. Het is niet de meest sfeervolle ruimte di ik ken, maar hij is wel heel erg groot. Op een Turkse bruiloft komen niet alleen vrienden en familie: de hele buurt wordt uitgenodigd. Duizend mensen, dan begint het wat te worden.

De meeste gasten zijn al aanwezig, er wordt geklapt als het paar binnenkomt. Ze openen het feest met een verleidingsdans. Daarna begeeft iedereen zich op de dansvloer, de muziek versnelt. Handen in de lucht, knippen met de vingers. Jongens en meisjes dansen samen. Van een huwelijk komt een huwelijk? Ik vraag aan een jongen met halflang haar of dit niet een aardige plek is om een vriendin op te doen. Stomme gedachte. 'Dan ben je echt fout bezig. Iedereen ziet je hier. Je hebt zo een gun op je hoofd.' Lekker fris.

Aan het eind van de avond worden bruid en bruidegom behangen met geld en goud. Een familielid roept als een soort spreekstalmeester elk cadeautje om: vijfhonderd gulden van een neef, vier gouden armbanden van een tante.

Vrouwen kunnen emotioneel zijn

Na het huwelijksfeest zondert een bruidspaar zich een dag of drie af. Mobiele telefoon uit, geen bezoek, de familie heeft eten neer gezet. Het idee is 'elkaar te leren kennen', zoals het eufemistisch wordt uitgedrukt. Ook Ahmet en Vesile leerden elkaar kennen.

Hun huis is inmiddels ingericht met Turkse spulletjes: een wit-blauw dressoir met een grote spiegel, een glazen vitrine, een wit-blauwe tafel.

Willen jullie kinderen? Vesile antwoordt als eerste: 'Nog niet.' Ze brengt haar dag door met bidden, lezen, koken, boodschappen doen en televisie kijken. Ze wil ook werken. Misschien een baantje als secretaresse? Ahmet vindt het prima. 'Maar ik moet wel tegelijk het huishouden doen', zegt Vesile. Moet Ahmet daarbij helpen? Vesile: 'Dat mag wel, maar ik ga hem niet dwingen.'

Hij houdt van kofte en van met gehakt gevulde aubergine, maar heeft geen idee hoe hij dat moet maken. Ahmet: 'Ik kan wel schoonmaken, hoor. Nou ja, kijk, ik ga dat niet elke week of elke maand doen, maar als ik het leuk vind, dan zal ik het doen.'

Vesile wil Ahmet graag een beetje opvoeden: de koran lezen, de overleveringen bestuderen, leren bidden. Ahmet zegt braaf dat hij dat allemaal graag wil. Waar is die jongen die altijd uitging? Ahmet: 'Nu is het anders, weet je.' Als ik hem later in de moskee tegenkom, blijkt het wel mee te vallen. Hij klaagt al over zijn schoonfamilie. Ze komen ongevraagd langs, willen dat hij naar de moskee gaat en ze trekken te veel aan Vesile. 'Maar ik ben nu de baas in huis.'

Turkse mannen zijn en blijven de baas in huis. 'Je kan geen twee kapiteins op één schip hebben', vindt Ali. Zijn vrienden in de theeruimte van de moskee knikken. Zo is het. Direct wordt ook een andere motie met algemene stemmen aanvaard: mannen die hun vrouw slaan of haar van alles ontzeggen, zijn natuurlijk eikels.

Dan staat iedereen op en loopt naar buiten. Op een altaartje achter de moskee ligt een kist. Nazim Dorul was een van de vaste bezoekers van de Sultan Ahmet. Een kleine, dikke man. Hij is 65 jaar geworden. Heel erg oud, volgens Ali. Turkse mannen sterven jong.

Ongeveer 150 mannen scharen zich rond de kist, een teken dat Nazim populair was. Zijn vrouw is er niet bij. Ze zit thuis, een paar honderd meter verderop. Zo gaat dat, vrouwen mogen niet bij dit afscheidsritueel zijn. Er is geen religieuze reden voor. 'Vrouwen kunnen heel emotioneel zijn', verklaart Ali.

De imam vertelt over het leven als examen. Hij stelt de vraag: wat vonden jullie van hem? De mannen antwoorden in koor: een goed mens, een goed mens, een goed mens. Zijn zonden worden hem vergeven, er wordt gebeden en de kist wordt in het busje van de Diyanet geschoven. Op naar Schiphol, op naar de begrafenis in Turkije.

Begraven in Nederland is geen optie. Je bent Turk en je blijft Turk. De moskee is de laatste halte voor het moederland.

Reportage