Mijn debuut

`Wat was je debuut?'

De vraag overviel me. Even zweefde me het beeld voor ogen van mijn grootmoeder die op de eerste rij door een verrekijker naar het toneel tuurde en later zou zeggen: ,,Ik heb je niet gezien!''

Mijn debuut? Het schoot me te binnen dat ik voor mijn eerste televisie-optreden naar Brussel toog. Toentertijd werd elk programma `live' uitgezonden. Ik figureerde in een show met liedjes uit het Parijse nachtleven (rond de eeuwwisseling) en zong in een Vlaams Frans: `Viens poupouleke, viens poupouleke, viens!' Er was mij een streepjespak met vlinderdasje, wandelstok en een hard strooien hoedje aangemeten om de lichtvoetigheid van het genre gestalte te geven.

Tijdens een repetitiepauze ging ik – in dit kostuum – op onderzoek uit. Nieuwsgierig verdwaalde ik tussen decors van programma's, shows en toneelstukken die in andere studio's werden geproduceerd. Ik was alweer op de terugweg. Maakte me onzichtbaar, sluipend achter decorstukken langs. Ineens werd ik verrast door een manshoog gat. Ik keek in een hol van de prehistorische mens. Het fascineerde me. Een man – met meer haar dan kleding – kwam zo te zien net thuis van de jacht. Zijn vrouw probeerde – met haar rug naar mij toe – vuur uit twee kiezelstenen te slaan. De blik van de holbewoner – die de mijne een moment kruiste – deed me naar de realiteit terugkeren. In het duister achter hem zag ik het rode lampje van de op ons gerichte camera branden. Het betekende dat er werd opgenomen en uitgezonden. Het flitste door me heen dat ik in de huiskamer zichtbaar moest zijn, als een nieuwsgierige, twintigste-eeuwse buurman die en passant olijk een kijkje kwam nemen in de oertijd. Omdat een enorme boete dreigde, heb ik nooit durven informeren of ik toen wellicht voor het eerst op het televisiescherm was verschenen.

Maar de aanvankelijke vraag was daarmee niet beantwoord. Ik was nog steeds een acteur zonder debuut. Zonder specifiek begin. Toch daagde me het te elfder ure.

Het speelde zich af in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, te Antwerpen. Ik zat daar op de toneelschool. Bij wijze van stage mocht ik bij het stedelijk toneelgezelschap een rolletje vervullen in een Engelse komedie.

Met één regel tekst doorstond ik de repetitieperiode, vol ontzag voor de echte acteurs en elke keer hevig blozend als ik het toneel op moest. Zo kwam de grote dag: de première!

De zaal vulde zich met geroezemoes. Het decor stond als een verrassing achter het gesloten doek. Mijn naam was in het programma vermeld tussen die van anderen die figureerden als `moeder van een dode soldaat', `werkeloze', `zakkenroller' of `huisknecht'.

De kleedkamers gonsden van omhelzingen, kussen en toi-toi-toi's. De acteurs keken op hun horloge. Als echte kunstenaars roken ze – verbeeldde ik mij – de piste. Mij overviel een grenzeloze angst. Het zaallicht doofde. Het doek ging op. Ik stond in de coulissen, slikte, voelde het speeksel in mijn mond opdrogen en repeteerde prevelend mijn – uit zes woorden bestaande – tekst: ,,Uw rijtuig staat voor, meneer Wordsworthy!''

De eerste scène ging van start, de tweede volgde, de derde... Ik herhaalde binnensmonds: `Uw rijtuig staat voor ...', enzovoorts. Steeds opnieuw. Nu naderde het beslissende moment. Als de volgende repliek ten einde was, moest ik er zijn. Ik aarzelde als een parachutist die terugdeinst voor de peilloze diepte. Ik verliet de coulissen, betrad het toneel, stond in de schijnwerpers. Achter het voetlicht waren de eerste rijen toeschouwers vaag te onderscheiden. Ik naderde – voor het verwachtingsvolle publiek – de acteur tot wie ik mij moest richten. Ik hield tegenover hem stil. Ik stond daar. Ik deed mijn mond open. Er kwam geen geluid. Er viel een stilte. Een ontzagwekkende, overdonderende stilte. Ik kon geen spoor terugvinden van de door mij twee maanden lang gerepeteerde zin. Leegte vulde mijn hoofd.

,,Ik begrijp het'', hoorde ik meneer Wordsworthy met enige ironie zeggen, ,,mijn rijtuig staat voor!''

Zijn stem leek van ver te komen. Ik wist niet wat me te doen stond. Ik keek naar de punten van de schoenen die me voor `de rol' waren aangemeten.

,,Je kunt gaan!'' hoorde ik mijn tegenspeler met nadruk en groeiend ongeduld improviseren.

Ik maakte aanstalten. Traag. Als verwachtte ik dat het toeval me alsnog te hulp zou schieten. Ik verdween. In de coulissen. Het was mijn debuut.