Mevrouw Spoor

Het was enigszins tussen neus en lippen door – in een zijdelings commentaar op de Japanse excuses voor oorlogsmisdaden tegen Indische Nederlanders – dat premier Kok zijn bereidheid toonde namens de Nederlandse regering spijt te betuigen over de koloniale oorlog tegen de republiek Indonesië.

Wat is het geheugen toch kort. Nog geen vijf jaar geleden kon dat niet en mocht het niet. Heel politiek Nederland, de kerken, de militaire en koloniale historici, de veteranen, de media, alles en iedereen was in rep en roer over de vraag of er spijt moest worden betuigd aan Jakarta en/of het Indonesische volk.

Een uitnodiging aan koningin Beatrix om aanwezig te zijn op de vijftigste verjaardag van de Indonesische onafhankelijkheid op 17 augustus 1995 werd nogal bot afgewezen. Het zou te kwetsend zijn geweest voor de oud-strijders in Nederland. Ook het voorstel om de koningin een krans te laten leggen bij het monument voor Soekarno en Hatta, die de republiek uitriepen, werd getorpedeerd.

Dat was een gemiste kans. Op de meest natuurlijke, overtuigende en gezaghebbende manier had Nederland op dat moment afstand kunnen nemen van wat het met de zogeheten politonele acties had aangericht. In plaats daarvan kwam er een halfslachtig compromis uit de bus. De koningin moest een paar dagen wachten. Vervolgens sprak zij `bijzondere droefheid' uit over de gevoerde strijd. Alsnog werd op die manier toegegeven dat de Indonesische onafhankelijkheid al in 1945 door de Nederlandse regering had moeten worden erkend. Maar, merkte Rudy Kousbroek indertijd op, deernis over het aangerichte leed is geen gul excuus. Het was een halve, nare oplossing.

En dan plotseling, een paar jaar later, zegt Kok wat toen niet gezegd mocht worden. Niet in Jakarta, maar in perscentrum Nieuwspoort. Bijna terloops. Het gaat weer eens op z'n Aarlanderveens. Bedroefd waren we al, nu hebben we ook spijt gekregen. Wij kunnen niet achterblijven bij de Japanners. En we zijn een eeuwgrens over, zodat het lijkt alsof de tijd een scherm heeft opgericht waardoor het verleden vager, minder scherp, minder pijnlijk duidelijk is. De excuses zijn aan inflatie onderhevig en ze worden uitgesproken op een mompelende toon, op een moment dat er eigenlijk al niemand meer op zit te wachten, bij wijze van formaliteit, zoals iemand sorry zegt die voordringt in de trein.

Alleen de veteranen maken er zich nog druk over, dus die krijgen onmiddellijk te horen dat ze zich er niets van hoeven aan te trekken, want hun schuld was het niet. Daarom heeft Kok zijn uitspraken woensdag `genuanceerd': de eventuele excuses `kunnen geen betrekking hebben op het optreden van individuele Nederlandse militairen die een halve eeuw geleden deelnamen aan de (politionele) acties'. Maar ook die toevoeging helpt niet, zoals de 85-jarige mevrouw H.T. Spoor-Dijkema, weduwe van de generaal die tussen 1945 en 1949 de Nederlandse troepen in Indonesië commandeerde, in een open brief aan de premier deed blijken.

Donderdag opende de Volkskrant met deze uitspraak van mevrouw Spoor: `Alsof die Indonesiërs zulke lieverdjes waren'. Ik moest daar onwillekeurig even om glimlachen. Want de avond ervoor had mijn 82-jarige moeder, die evenals mevrouw Spoor in 1949 uit Indonesië naar Nederland repatrieerde met mijn broers en zusjes, me door de telefoon precies hetzelfde gezegd. Letterlijk: `Alsof die Indonesiërs zulke lieverdjes waren'. (Nee, mamma, maar `wij' hadden daar niets te zoeken!).

Natuurlijk waren `die Indonesiërs' geen lieverdjes, natuurlijk kunnen individuele militairen niet collectief aansprakelijk worden gesteld voor de oorlogsmisdaden van sommigen en natuurlijk bestaat er geen collectieve schuld van volkeren, met inbegrip van het Nederlandse. Er bestaat een – voor zover het om oorlogsmisdrijven gaat nooit verjaarde – individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid. Voor de rest behoort het debat over het koloniale verleden tot het domein van de politieke en morele oordeelsvorming. In die context past het al dan niet maken van excuses namens de Nederlandse overheid aan Indonesië. Deze excuses zouden zich dan tevens moeten uitstrekken tot de mensen die door verblinde regeerders naar Indonesië zijn gestuurd – en niet te vergeten tot de Nederlanders die zo dapper waren zich tegen hun eigen overheid te verzetten: de Van Randwijks en Henriette Roland Holsten, de duizenden dienstweigeraars, de tienduizenden stakers tegen de troepentransporten, de enkelingen die ter plaatse de kant van de republiek kozen, de Poncke Princens en Piet van Staverens.

Nee, er bestaat geen collectieve schuld, maar er bestaat hopelijk zoiets als een collectief geheugen. Weet iemand nog dat genoemde Piet van Staveren zeven jaar in de bijzondere strafgevangenis van Leeuwarden heeft gezeten, omdat hij weigerde datgene te doen waarvoor de Nederlandse regering nu haar excusues wil maken? Weet iemand nog dat in 1969, twintig jaar na de soevereiniteitsoverdracht, het Tweede Kamerlid J.M. den Uyl vergeefs een parlementaire enquête voorstelde naar de `excessen', zoals de in Indonesië door Nederlandse troepen gepleegde oorlogsmisdaden hier eufemistisch werden genoemd? Dat onderzoek mocht er niet komen. De geestverwanten van mevrouw Spoor wilden het niet. Waarom eigenlijk niet, mevrouw, als het waar is dat uw echtgenoot, evenals zijn opdrachtgevers en ondergeschikten, alleen maar probeerden `recht en veiligheid te brengen' in Indië?

In Indonesië, zo valt af te leiden uit uitspraken van president Wahid, bestaat helemaal geen behoefte aan Nederlandse excuses. Dat kan ik me voorstellen. Men heeft daar na decennia van schending van de mensenrechten en onderdrukking door generaal Soeharto, wiens gruwelen die van Pinochet vele malen overtreffen, waarachtig wel iets anders aan het hoofd. Misschien kan Kok in één moeite door spijt betuigen over de steun die het Soeharto-regime sinds de staatsgreep in 1965 uit Nederland heeft mogen ontvangen.

Maar het is niet omwille van Indonesië dat een kritische bezinning op en excuses voor de door Nederland gevoerde koloniale oorlog van belang is, maar omwille van Nederland zelf, dat zegt de mensenrechten, de internationale rechtsorde, de bestraffing van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid hoog in het vaandel te hebben staan.