Met name anoniem

Laat de volgende zin, die de wereld van het internet tot onderwerp heeft, eens goed op u inwerken: `Wie meent dat onbeperkte anonimiteit toelaatbaar moet zijn, vindt ook onbeperkt anoniem rechercheren van digitale veiligheidsdiensten geoorloofd.' Eén ding is duidelijk: de schrijver weet in die ene zin een sfeer van doem en overal loerend gevaar voor lijf en leden op te roepen die tot nu toe alleen in de duisterste thrillers haalbaar was. Daarvoor hulde! Maar wat bedoelt hij precies? En klopt het? Dat is heel wat minder duidelijk.

Anoniem rechercheren, wat zou dat zijn? Is er dan ook zoiets als niet-anoniem rechercheren? Op het eerste gezicht zou je zeggen van niet. Elke vierjarige weet dat rechercheurs agenten in burger zijn. En dat ze in burger opereren om niet meteen als agent herkenbaar te zijn. Ze zouden immers weinig boeven vangen als ze aan het begin van hun dienst bij de verdachten aanbelden met de mededeling `Goedemorgen, ik ben rechercheur Grijpma en ik kom een onderzoek tegen u instellen. Als u de koffie klaar heeft, ons observatieteam zit in dat blauwe busje daar'. Dus, zou je zeggen, van het voorwerp van onderzoek uit bekeken gaat rechercheren altijd anoniem, dus is `anoniem rechercheren' een pleonasme.

Toch is dat te kort door de bocht. Rechercheren gaat wel vaak anoniem en heimelijk, en het mag zelfs zo zijn dat de meeste mensen tegen wie gerechercheerd wordt daar nooit iets van merken omdat ze gaande het onderzoek als mogelijke betrokkene geschrapt worden, er komt wel degelijk een moment dat de rechercherende instantie zijn kaarten op tafel moet leggen. Komt het tot een rechtszaak, dan moet de politie verantwoorden hoe ze aan de belastende gegevens kwam. Daar zijn regels voor die burgers, crimineel of niet, beschermen tegen de in beginsel enorme overmacht van de politie. Hoe nodig die regels zijn, en hoe lastig naleving ervan is af te dwingen, daar kunnen diverse ex-ministers over meepraten.

Rechercheren is dus weliswaar ten principale anoniem, maar niet onbeperkt. Die beperkingen beginnen echter pas ver voorbij eenvoudige anonimiteit. Recherche steekt immers niet alleen anoniem of onder valse voorwendselen zijn neus in de zaken van een verdachte, maar pleegt zonodig routinematig ook ingrepen die voor ieder ander als delict gelden, zoals afluisteren, inbreken en inbeslagnemen. Zelfs medeplichtigheid aan en uitlokking van een misdrijf zijn niet volkomen uitgesloten. Dat semi-criminele karakter van criminaliteitsbestrijding is de reden dat rechters en rechters-commissarissen recherche-instanties in toom moeten houden, niet de anonimiteit van de rechercheur.

Volgt nu uit het simpele feit dat iemand vindt dat hij desgewenst volledig anoniem over het web moet kunnen surfen, in nieuwsgroepen moet kunnen posten en desnoods zelfs anoniem e-mailtjes wil versturen dat hij `dus' vindt dat de regels voor recherchewerk wel overboord kunnen? Geenszins. Recherchewerk balanceert uit zijn aard op het randje van het criminele, maar dat geldt, althans in een rechtstaat als de onze niet voor eenvoudige aanwezigheid. Ook niet voor anonieme aanwezigheid, of dat nu op een echte straat is of op de elektronische snelweg. De enige manier waarop de redenering aan het begin van dit stukje dus klopt, is als je iedereen als een potentiële misdadiger beschouwt. Dus als schuldig totdat het tegendeel bewezen is. Dat mag niet van de Nederlandse wet.

Laat ik nu maar verklappen van wie het citaat is. Het komt uit een artikel in Het Parool door VVD-Kamerlid Oussama Cherribi. Dat maakt de uitspraak belangrijk, want Cherribi `doet' het internet voor zijn partij. Een maand of twee geleden zei Cherribi al dat anoniem rondsurfen op het internet op voorhand als een misdrijf beschouwd moest worden. Althans, zo werd hij geciteerd en hij heeft het niet weersproken. Chips citeerde die uitspraak met verbazing en het Parool-stuk is daar weer een zijdelings antwoord op.

Cherribi pleit in zijn stuk opnieuw voor beperkingen op de anonimiteit van de internetter. Maar wat hij nu precies wil, blijft onduidelijk. Enerzijds staat er gespierde taal in als ons citaat en: `Misbruik van cyberanonimiteit kan leiden tot drie soorten digitale delicten', waarop de standaardwaslijst van e-mailbommen via fraude tot aan kinderporno volgt. Anderzijds wil Cherribi overal nette waarborgen voor, en lijkt hij tegen nette anonimiteit en gedegen privacybescherming helemaal geen bezwaar te hebben. Bovendien verdampen al die krachtige uitspraken zodra je ze twee keer leest. De eerste bleek een non-sequitur, die over `misbruik van cyber-anonimiteit' houdt helemaal niets in. Misbruik van wat ook leidt al gauw tot delicten, daar is het misbruik voor. Cherribi draait de zaken om: met anonimiteit kun je nog geen deuk in een pakje boter slaan, het helpt alleen om na gedane misdaad niet gepakt te worden – en daar hebben we dan weer die recherche voor.

Het Kamerlid lijkt last te hebben van `zwei Seelen in einer Brust', en dat is niet zo gek. Cherribi is de oersurfer van politiek Nederland, de man die al een homepage had toen niemand anders in Den Haag dat woord nog ooit gehoord had. Hij kent het internet en houdt ervan. Aan de andere kant is hij vermoedelijk echt overtuigd van het gedachtengoed inzake criminaliteit van zijn partij, dat nu eenmaal neigt naar het zekere voor het onzekere nemen, zeker waar het het internet betreft. Waar Cherribi zelf nog tot de pioniersgeneratie behoort en daar de charme nog van gekend heeft, terwijl zijn partij geen echt heldere gedachten heeft, kan hem nauwelijks verweten worden dat hij er als woordvoerder niet helemaal meer uitkomt.

Wel verwijtbaar is zijn vluchten in drogredenen en suggestieve uitspraken. Politiek Nederland surft in cyberzaken toch al bedenkelijk vaak mee op via de media opgezweepte golven van wanbegrip en onberedeneerde angst. Dat is gevaarlijk waar het gaat om een medium dat met de maand belangrijker wordt voor zowel de economie als de rest van de samenleving. Wanneer zo ongeveer de enige in dat gezelschap die beter moet weten daar nog eens een schepje bovenop doet, zitten we straks met precies de verkeerde wetgeving en hebben de echte zware jongens vrij spel.