Met de helm op geboren

Christijan Albers wil maar één ding: doordringen tot de Formule 1. Zijn leven bestaat uit trainen en racen - dag in dag uit, waar ook ter wereld. Achter het stuur met 'ein ganz grosser Holl„ndischer Rennfahrer'.

De telefoon van Christijan Albers zingt met hoge tonen door de lobby van hotel Jan Tabak in Bussum. Uitklapbaar model, uitgevoerd in de fluorescerende kleuren van zijn racehelm. 'Sorry', verontschuldigt de autocoureur zich voordat hij het groene knopje indrukt. 'Mag ik even bellen?'

Sinds Albers op zijn zeventiende van de mavo kwam en achter het stuur van een racewagen kroop, kan hij niet zonder mobiele telefoon. 'Het zou mijn dood zijn, echt waar', zegt hij met gespeelde ernst.

Het is oktober 1999. Albers, nu twintig, heeft nog één raceweekend in de Duitse Formule 3 voor de boeg. Hij kan kampioen worden. Hij lijkt totaal zeker van zijn zaak. Na de Formule 3 zal Nederlands grootste racetalent, zo denkt hij, zich in 2000 verzekeren van een plaats in de één klasse hogere Formule 3000. En dan het einddoel: de Formule 1.

De Formule 1: de elite van 22 coureurs wier avonturen van maart tot en met november door honderden miljoenen kijkers per Grand Prix ademloos worden gevolgd. Voor Albers is het een obsessie.

Hij zit er ontspannen bij. Geheel in het zwart gekleed. Smaakvolle schoenen, colbert, strakke broek, coltrui. Op de catwalk zou hij niet misstaan. Soms verschijnt hij bij officiële gelegenheden in een smetteloze smoking, zoals twee jaar geleden, toen hij bij het nationale autosportgala tot talent van het jaar werd gekroond.

Was hij maar geboren in Duitsland of Engeland, denkt hij wel eens. Daar bestaat een racecultuur. Met wereldkampioenen, mooie circuits en reusachtige autofabrikanten. Wie in Nederland als coureur wat wil bereiken, moet zo snel mogelijk de grens over. Maar dan raak je in eigen land uit beeld en word je voor sponsors minder interessant. Met enige jaloezie zag Albers onlangs twee leeftijds genoten promoveren naar de Formule 1. Een Engelsman van twintig, Jenson Button, kon aan de slag bij een van de beste teams (bmw-Williams), en de Duitser Nick Heidfeld debuteert bij de renstal van oud-wereldkampioen Alain Prost. Wat goed is komt snel, maar in Duitsland en Engeland komt het net iets sneller dan in Nederland.

Verliefde tienermeisjes

Twee weken later is het zover. Dit wordt het beslissende weekeinde in het kampioenschap van de Formule 3. In de Eifel waait een snijdende wind. In het rennerskwartier van de Nurburgring, wereld beroemd circuit tussen Keulen en Trier, kijken twee Duitse tiener meisjes verliefd naar hun idool. Zichtbaar zenuwachtig zijn ze, oog in oog met de coureur. Verlegen houden ze Albers een blocnootje voor, vragen mompelend om zijn handtekening. Routineus zet Albers met een viltstift twee krabbels. Hij is de kalmte zelf, zo kort voor de start. Alsof hij een potje gaat dammen.

Vier dagen lang is dit rennerskwartier de biotoop van ongeveer twintig Formule 3-coureurs en hun entourage. Ook de ouders van Albers zijn er weer, met hun luxe camper. Hun zoon, door de Duitse speaker aangekondigd als 'ein ganz grosser Holl„ndischer Rennfahrer', staat immers voor een nieuw hoogtepunt in zijn carrière.

Het gaat maar om twee races van een half uur. Een paar duizend toeschouwers zien hoe Albers zich met zijn vuurrode Opel Dallara 399 vastbijt in de koploper, de Oostenrijker Robert Lechner. Hij ligt in tweede positie en jaagt Lechner op met snelheden tot 260 kilometer per uur. Op onverwachte momenten doet Albers, zwenkend van links naar rechts, een schijnaanval om de Oostenrijker te intimideren. Maar hij krijgt geen kans. Inhalen is lastig op dit circuit. Geeft niet, want Albers heeft in de eerste race aan een tweede plaats al genoeg om zich kampioen te kunnen noemen. Een overhaaste inhaalactie zou weleens in de grindbak kunnen eindigen. Zo verspeel je je kansen op de titel.

Met 215 kilometer per uur schiet Albers op de eerste bocht af. Hier kreeg zijn collega Wouter van Eeuwijk twee maanden eerder een ongeluk. De rolbeugel bovenop de auto die het hoofd van de coureur moest beschermen, brak af. Van Eeuwijk raakte grotendeels verlamd.

Als je de risico's van het vak aansnijdt, heeft Albers zijn antwoord klaar. 'Als mensen daarover beginnen, haal ik elke keer de paardensport naar voren. Daar gebeuren elk jaar meer dodelijke ongelukken dan in de autosport.' Nee, hij heeft niet het gevoel dat hij met zijn leven speelt.

Maar moet hij bij het passeren van de onheilsplekken op de circuits dan niet denken aan de drama's die zich er hebben afgespeeld? 'Ik wil daar liever niet over praten. Het is net als met een ongeluk op de snelweg. Als jij de volgende dag weer naar je werk moet, ga je toch ook weer over die snelweg? Met Wouter heb ik contact en ik ben blij dat het steeds beter met hem gaat. Hij moet vechten voor zijn herstel, zoals ik moet vechten om de top te bereiken. Daar heb ik nu eenmaal voor gekozen. Een autocoureur is koel.'

En het loont. Bij de eerste race, op zaterdag, haalt Albers de titel al binnen. Na afloop stopt bij de finish een Mercedes-truck. Op de oplegger staat een erepodium. De ondanks de kou schaars geklede pitspoezen van bandensponsor Pirelli nemen hun posities in, klaar om de jonge helden te zoenen. De vriendin van Albers houdt zijn helm vast. Vader Andr‚ tilt zijn zoon de lucht in. De coureur zwaait naar zijn moeder op de tribune. Ze werpt hem een handkus toe.

Na het ritueel met zoenen en champagne zoekt Albers zijn vader weer op. 'Bij belangrijke wedstrijden zijn m'n ouders er altijd. Vind ik leuk. Vaders willen zich nog wel eens bemoeien met de carrière van hun zoon, maar ik heb het getroffen. Ik kan gigantisch goed met m'n vader door de bocht. Als ik slecht presteer, zal hij nooit een grote mond opentrekken. Ouders moeten je bijstaan in goeie en in slechte tijden. Ze pushen me niet. Ik ken veel jongens die het in de topsport net niet hebben gehaald, omdat ze geen steun kregen van hun ouders.'

Na de laatste plichtplegingen van de huldiging loopt Christijan naar het rennerskwartier. Eén arm om zijn teambaas geslagen, in zijn rechterhand een lege magnumfles champagne. Zijn moeder brengt de van zweet en champagne doortrokken race-overall naar de camper. Een vriendin haalt een schone boxershort voor hem tevoorschijn.

Een halfuur later geeft een frisgewassen Albers uitleg bij zijn auto aan Nederlandse gasten van Opel. Hij trekt het stuurtje los, vertelt over schakelen zonder koppeling, over de restrictor (snelheidsbegrenzer) van zijn bolide, de 2-liter Vectra-motor met vier cylinders en dat het door de kou onmogelijk was de banden op de juiste temperatuur te krijgen. Hij wijst glimlachend naar de beschadigde voorvleugel, gevolg van een tikje tegen de auto van Lechner.

Weken ziek van één krasje

Christijan werd bijna op een circuit geboren. Zijn moeder kreeg de eerste weeën tijdens een rallycross-wedstrijd in België. Vader Andr‚ was in die dagen een verdienstelijk rallycrosser. Hij werd zelfs Nederlands en Europees kampioen. Op 16 april 1979 reed hij een cross in Maasmechelen, net over de grens. Zijn vrouw en zoontje Kees-Jan zaten gewoontegetrouw tussen de toeschouwers. Ze moest halsoverkop naar het ziekenhuis. In Eindhoven werd Christijan geboren.

Als tiener bracht Christijan veel tijd door in de garage van zijn vader. Van velgen poetsen tot auto's repareren, hij deed het allemaal. Zijn liefde voor materiaal stamt uit die tijd. 'Ik kan weken ziek zijn van één krasje op een nieuwe machine.' Chris reed al toen hij nog niet boven het stuur uitkwam.

Sinds Albers met de kart die hij van zijn vader had gekregen, zijn eerste indoor-kartwedstrijd won, is hij verslaafd aan snelheid. De herinnering aan dat eerste succes brengt een brede glimlach op zijn gezicht. 'Het lijkt zo verschrikkelijk hard, omdat je in een kart zo laag bij de grond zit.' Na vier jaar racen weet hij nog steeds niet wat hem sneller maakt dan zijn meeste collega's. 'Er moet iets zijn, maar je komt er nooit achter wat het is. Het zit gewoon in je.' Er zijn twee soorten talent, denkt Christijan. Werktalent en natuurtalent. Hij denkt over het laatste te beschikken.

Op de gewone weg houdt Albers zich in. Hij stuurt zijn door sponsor Opel beschikbaar gestelde Astra met speels gemak door het drukke verkeer. Bij een wegversmalling ritst hij soepel naar de andere rijbaan. Niet roekeloos, maar vlot en sportief. Onder het rijden speelt hij met zijn stereo en het navigatiesysteem met televisiescherm naast het dashboard. Hij zapt van de ene tv-zender naar de andere, terwijl de radardetector in de auto oplicht en irritant hoge tonen produceert bij het passeren van een bankfiliaal. 'Mensen denken vaak dat je ook op de openbare weg als een achterlijke rijdt als je coureur bent. Maar ik kan me niet veroorloven mijn rijbewijs kwijt te raken.' Hij is ook bang om 'afgemaakt' te worden in de pers, als hij voor een verkeersovertreding wordt gepakt. Albers koestert zijn brandschone imago. Niet in de laatste plaats omdat hij weet dat sponsors daar prijs op stellen. Zonder sponsors geen geld en zonder geld geen carrière.

Een brullende kuil vol paardenkrachten

Een paar weken later, op 9 november, is het in het Zuid-Spaanse Jerez de la Frontera twintig graden Celsius. Albers heeft het feestje van de Formule 3-vereniging in Stuttgart laten schieten om zich voor te bereiden op een test bij het sterkste team in de Formule 3000, het zogenoemde Formule 1-juniorteam van McLaren Mercedes, West Competition. Twee dagen voor de test huurt hij een auto om het onbekende circuit uit te proberen.

Op de dag van de test rijdt broer Kees Jan - zijn manager - me rond door de heuvels boven het circuit. Vanuit de hoogte lijken de Formule 3000-wagens op dinky toys. Foutloos stuurt Christijan zijn wagen over het Circuito de Jerez. Het is een soort proeve van bekwaamheid voor de resterende plaats bij West Competition. De auto heel houden, weet Albers, is minstens zo belangrijk als een snelle rondetijd.

Als het gejank van de zevenentwintig wagens tijdens de reglementaire trainingsuren plotseling verstomt, schrikt Kees Jan. In de bochten van de baan zwaaien officials met rode vlaggen. De training is stilgelegd. Ergens op het circuit moet een auto van het asfalt af zijn geraakt. In de verte draaien een takelwagen en een doktersauto de baan op. De 3000 cc-motoren zwijgen. Van een brullende kuil vol paardenkrachten is het circuit opeens veranderd in een oase van rust. Zelfs de vogels kun je horen zingen. Ook de golfers op de course naast de baan genieten even van de stilte. Als de training wordt hervat, scheurt Christijan onbeschadigd voorbij. Opluchting bij Kees Jan.

Even later staan we bij de hoofdtribune die de racebaan scheidt van de pitstraat, waar elk team over twee garageboxen beschikt. Met 270 kilometer per uur stuift Christijan voorbij. Als hij één ronde en ruim anderhalve minuut later voor het laatst die dag de pitstraat indraait op weg naar de garagebox, staat zijn blik op oneindig. Hij heeft van negen tot twaalf en van één tot vier in opperste concentratie zijn rondjes gedraaid.

Elke draai aan het stuur is tien kilo

Racen en testen plegen een aanslag op lichaam en geest. Concentratieverlies, ook al is het maar een fractie van een seconde, kan desastreuze gevolgen hebben. Ook fysiek is elke wedstrijd of test een uitputtingsslag. 'Elke draai die je aan je stuur geeft, staat gelijk aan het verplaatsen van een gewicht van tien kilo', zegt Albers, terwijl zijn broer de race-overall, de helm en de raceschoenen achterin de huurauto legt. De striemen van de helm staan nog in het gezicht van de coureur gekerfd.

'Stel dat je op één circuit twintig bochten hebt, maal tien, dat is tweehonderd kilo. En dan heb je pas één rondje gereden en hebben we het alleen nog maar over de armen gehad. Afhankelijk van de bocht die je neemt staat je hoofd bloot aan 17 tot 20 kilo aan

G-krachten. En vergeet de druk op je benen en enkels niet. Ga maar na wat je te verduren krijgt als je 56 rondjes moet rijden. Mensen die twaalf minuten in een indoor-kart hebben gereden, stappen daar vaak al doodmoe uit.'

Bij zonsondergang, aan het eind van de middag, laat Christijan zich door zijn broer terugrijden naar het Royal Sherry Park Hotel, vier sterren, in het centrum van Jerez. Afgepeigerd is hij, hij vreet zich op van onzekerheid. Hij dubt over een schakelfout, verkeerde banden en gekneusde ribben, erfenis van een kartwedstrijd in Duitsland. Een snelle tijd heeft hij niet gereden. Vijftien collega's waren sneller: alleen zij worden genoemd in de plaatselijke krant Diario de Jerez.

De volgende morgen krijgt Albers te horen dat hij op de tweede testdag niet meer achter het stuur hoeft: al na één dag had het team een goede indruk van zijn kwaliteiten. De gebroeders Albers vliegen terug naar Amsterdam, Christijan met stijve armen van een volle werkdag sturen.

Als je droom niet uitkomt

Als McLarens Formule 3000-team op 17 januari, twee maanden na de test in Jerez, bekendmaakt dat voor de resterende plaats bij West Competition de keus is gevallen op een Tsjechische coureur, is Albers al bijna rond met het Formule 3000-team European Formula Racing, het kleine broertje van het Formule 1-team van Arrows, waarvoor Jos Verstappen dit jaar uitkomt. Eind januari krijgt hij een uitnodiging van Arrows voor een driedaagse test, opnieuw in Jerez. Door problemen met zijn versnellingsbak rijdt hij daar een slechte tijd. Toch is het vrijwel zeker dat hij op 8 april in het Italiaanse Imola zijn debuut zal maken in de Formule 3000, in het voorprogramma van de Formule 1. Begin januari is Christijan te gast bij het tv-programma rtl Live. Daar ontmoet hij twee generatiegenoten die net zo 'jong en succesvol' zijn: fotomodel Wendy en zanger Robin, voorheen van de Vengaboys. Ze kennen elkaar geen van drieën. Ze leven ieder in hun eigen wereld. En dan is er Ruud, hoofdrolspeler en bijna-winnaar van Big Brother, de laatste tv-hype van de twintigste eeuw.

Ja, Albers heeft er wel van gehoord, maar hij heeft er geen seconde naar gekeken. De televisie staat bij hem zelden aan. Veel te druk. Autosport beheerst zijn leven vierentwintig uur per dag.

Albers mag dan een tikkeltje wereldvreemd zijn, hij heeft meer van de wereld gezien dan menige leeftijdsgenoot. Hij is het Perzisch tapijt van twee bij drie meter waarop hij als kind met autootjes speelde ontgroeid. Als frequent flyer vliegt hij net zoveel spaarpunten bij elkaar als de snelste zakenman. Een greep uit zijn bestemmingen in november, de laatste maand van het raceseizoen: Hongkong, Frankfurt, Barcelona, Macao, Pusan, Seoul. Naar de maatstaven van Peter Stuyvesant is Albers een man van de wereld. Zelf hanteert hij een andere definitie. 'Christijan Albers is pas een man van de wereld als hij in een goeie auto in de Formule 1 wordt gezet, in een wagen waarmee hij races kan winnen.'

In het Gooilandtheater in Hilversum voor de camera's van rtl luidt de laatste vraag aan het jonge trio: als je je droom niet waar kunt maken, heb je dan een 'plan B'? Het fotomodel en de zanger zeggen moeiteloos te kunnen omschakelen naar een andere carrière. Maar de coureur rijdt linea recta naar de Formule 1. Voor hem is er geen afslag. M

Portret