Megafoons en gefluister

Ruim honderd dagen is Wahid nu aan de macht in Indonesië. De kranten zijn gevuld met een ondoorgrondelijke newspeak. Nieuwe woorden voor een nieuwe tijd.

President Wahid wekt de indruk dat hij alles zegt wat hem voor de mond komt. Hij meldt samenzweringen met een achteloosheid alsof het zijn dagelijks brood is en deelt afwisselend pluimen en oorvijgen uit. Als we Abdurrahman Wahid mogen geloven, bestaat zijn voorgeslacht uit alle etnische groepen die Indonesië rijk is en beschouwt hij de halve wereld als zijn tweede vaderland. Het presidentiële paleis, tientallen jaren een nagenoeg ondoordringbaar bolwerk van de macht, is tegenwoordig een zoete inval en de afdeling protocol, die placht te loeren op boorden zonder stropdas en ongepoetste schoenen, legt bezoek in sarong en op sandalen geen strobreed in de weg.

Het journaal van de staatstelevisie, nog niet zolang geleden een rituele voorlezing van driemaal gecorrigeerde communiqués, grossiert tegenwoordig in beleefd-kritische vraaggesprekken en milde kwinkslagen. Bij de vijf commerciële tv-stations wordt voor reclamezendtijd in de talrijke, goed bekeken praatprogramma's al bijna evenveel betaald als voor de zwevende blokken in sinetron (soaps van eigen bodem) en Latijns-Amerikaanse telenovelas.

Het betonijzer van Soeharto's Nieuwe Orde is verkruimeld en het volk is `Op weg naar een Nieuw Indonesië', de titel van een discussieprogramma dat wordt verzorgd door de gezamenlijke tv-zenders. Die weg heet reformasi – de strijdkreet van de studenten die begin 1998 te hoop liepen tegen de autoritaire vaderfiguur Soeharto en daarna het codewoord voor de nieuwe nationale consensus. Reformasi betekent zoveel als `alles moet anders' en staat voor al datgene wat Indonesiërs altijd hebben moeten missen: democratie, behoorlijk bestuur, regionale autonomie, respect voor universele rechten en vrijheden en welvaart voor iedereen.

Demonstraties – tegen IMF en Wereldbank, tegen pornografie, tegen prijsverhogingen of voor een heilige oorlog tegen de vijanden van de islam – zijn tegenwoordig net zo gewoon in het straatbeeld van Jakarta als verkeersopstoppingen en bedelaars. Het aantal titels dat ambulante krantenverkopers op kruispunten verkopen, is zo groot dat de automobilist het niet langer in een oogopslag kan overzien. Bijna vijftig politieke partijen en vele duizenden NGO's , non-gouvernementele organisaties – voor vrouwen, de rechten van de mens, behoud van de Papoeacultuur en voor wie of wat al niet – verwoorden luidruchtig de `aspiraties' van de Indonesiërs.

De begrippen `openheid' en `openbaarheid' hebben in dit land een nieuwe betekenis gekregen. Het volk mag weer publiekelijk kankeren op machthebbers en openlijk van mening verschillen. In twee jaar tijd is er afgerekend met de decennialang opgehouden schijn van een monolithische Familiestaat, van een volk dat zich niet uiteen laat spelen door `twistzieke politici' en dat nijver en eensgezind werkt aan de Nationale Opbouw, vanaf metershoge borden glimlachend gadegeslagen door de Vader en Moeder van staat.

In anderhalf jaar tijd is een aantal nieuwe vrijheden verzilverd. Er kwam een einde aan de persbreidel en in juni vorig jaar mochten de Indonesiërs een nieuw parlement kiezen. Via de omweg van het Volkscongres – een restant van het oude bestel – dat maar voor de helft uit gekozen afgevaardigden bestaat, koos Indonesië zich een nieuw leidersduo: moslimleider Abdurrahman Wahid werd staatshoofd en Megawati Soekarnoputri, de lieveling van de nationalisten, werd vice-president. Aan hen de taak om de reformasi te volvoeren en aan alle daarin vervatte, hooggespannen verwachtingen te voldoen. De eerste honderd dagen van hun leiderschap zitten er intussen op. In die luttele maanden is aan het licht gekomen hoe onoverzichtelijk en gecompliceerd de erfenis is van hun autoritaire en corrupte voorgangers. In die korte tijd is ook duidelijk geworden dat de nieuwe vrijheden hun schaduwzijden hebben, dat `mogen' niet hetzelfde is als `doen', dat de goede voornemens een lange, bochtige weg plaveien die voert door een mijnenveld. De onzichtbare springstof onder het wegdek bestaat uit oude vetes, de wrok en frustraties van een nog niet uitgespeelde oude garde en de angsten en onzekerheden die gepaard gaan met verandering.

De nieuwe vrijheden geven de Indonesiërs de ruimte om politiek kleur te bekennen, te publiceren en te demonstreren, maar ook om eindeloos te palaveren zonder conclusies te trekken, oude rekeningen te vereffenen en opruiend in te spelen op het wantrouwen tussen volkeren en geloofsgemeenschappen.

De Indonesische elite is koortsachtig bezig met een inhaalmanoeuvre: `waarnemers' en `deskundigen' vullen de panels van ontelbare praatprogramma's en seminars. Zij genieten niet alleen van hun eigen stemgeluid, maar worden ook gretig aangehaald door de pers. Kranten koppen regelmatig met koene citaten, die bij lezing van het artikel niet afkomstig blijken van machthebbers, maar van gediplomeerde forumleden tijdens de zoveelste studiebijeenkomst: het parlement moet zus, de president moet zo. Tijdens een ontmoeting met de Indonesische gemeenschap in Den Haag vertelde president Wahid een anekdote: ,,Toen Neil Armstrong voor het eerst voet zette op de maanbodem, bleek die bezaaid met papers van Indonesische seminars.''

Groenteverkoopsters op de markt van Pondok Labu, Jakarta-Zuid, die zelf niet op hun mondje zijn gevallen, doen het politieke bedrijf steeds vaker af als omong-omong saja (alleen gepraat). Hun klanten zijn minder geïnteresseerd in met half-Engels doorspekte monologen van economen dan in de prijs van de waar. Het kabinet gaat uit van een economische groei van 4 procent in 2000 en een inflatie van 4,8 procent – niet slecht vergeleken bij de negatieve groei van 13 procent in 1998 en een nulgroei in 1999, en gunstig vergeleken met de inflatie van 70 procent in 1998. Toch staat de rupiah nog 3,5 maal lager dan toen de crisis begon. Fabrieken die zijn aangewezen op ingevoerde grondstoffen en afzet op de binnenlandse markt, zullen ook dit jaar gevaarlijk dicht bij het bankroet komen. In de luxe winkelcentra van Jakarta is het druk als vanouds, want de middenklasse die over dollartegoeden beschikt, heeft nooit iets van de monetaire crisis gemerkt en blijft dure cappuccino's nippen in Wendy's en Café Wien. Maar de meerderheid van de tien miljoen Jakartanen moet werkloos geworden verwanten opvangen in de kampong en onderhouden van een maandinkomen waarvan de middenklasse een avondje uit eten gaat.

De demonstraties – rond de val van Soeharto en de jongste zitting van het Volkscongres in oktober nog massaal – worden kleiner en venijniger. Het zijn geen steunbetuigingen meer voor politieke kampioenen, maar vooral protesten tegen nieuwe maatregelen en oude misstanden en niet zelden op de man of vrouw gespeelde aanvallen op individuele bewindslieden.

De openheid is groot, maar niet alle spelers vertonen zich op het veld en niet alle `aspiraties' worden per megafoon geventileerd. De entourages van de oud-presidenten Soeharto (tot aftreden gedwongen) en B.J. Habibie (weggestemd) intrigeren achter de schermen. Kapitaalkrachtige cronies van Soeharto en ex-ministers uit Habibies kabinet zinnen op manieren om te ontkomen aan rechtsvervolging voor hun vele zonden of op een nieuwe wending aan hun politieke loopbaan.

Wie een paar jaar niet in Indonesië is geweest en de kranten van de afgelopen honderd dagen opslaat, stuit bij het lezen op een ondoorgrondelijke newspeak, een jargon dat de tijdgeest ademt, maar nog niet is doorgedrongen in de woordenboeken of een geheel nieuwe betekenis geeft aan vertrouwde begrippen. Het zijn de gevleugelde woorden van een samenleving in verandering, een democratie in wording, die openheid paart aan geruchten en intriges. Via de elektronische media dringen ze niet alleen door in het spraakgebruik van de elite, maar ook tot de eet- en drinkstalletjes in de kampong. Hieronder een greep uit het ABC van het nieuwe Indonesië, een beknopt vademecum van de politieke cultuur in het tijdperk-Wahid.

ASPIRATIF Een onvertaalbaar en ook in de `dikke Teeuw' (het compleetste Indonesisch-Nederlandse woordenboek) onvindbaar neologisme. De overgangsfase die inging na de val van Soeharto op 21 mei 1998 is door de verkiezingen niet afgesloten. De Indonesiërs hebben op 7 juni vorig jaar nieuwe volksvertegenwoordigers gekozen, maar blijven kritisch toekijken hoe zij het doen. De kiezers laten de gekozenen voorlopig begaan, maar de straat kan elk moment opnieuw het woord eisen. De parlementariërs zijn zich bewust van deze hypotheek op hun mandaat. Televisie-interviewers vragen steevast aan afgevaardigden of wat zij doen en voorstaan wel aspiratif is, lees: rekening houdt met de verwachtingen van het publiek.

Deze herontdekking van de `volkswil' blijkt uit de toegeeflijkheid van de politie tegenover demonstranten en uit de mediacampagne die burgers opwekt om hun aspiraties kenbaar te maken aan leden van het parlement. In een reeks tv-spotjes loopt de populaire komiek Asmuni met aangeplakte snor en gehuld in Javaanse jas tutup, sarong en blangkon (gevouwen hoofddoek) wat onzeker door het parlementsgebouw. Deze karikatuur van de gewone man wordt vriendelijk te woord gestaan door parlementsvoorzitter Akbar Tanjung, die hem wegwijs maakt in de wandelgangen. ,,U moet ons vooral op de vingers kijken'', zegt Tanjung, ,,dan kunt u zelf bepalen hoe `aspiratif' onze daden zijn.''

Betogingen zijn inmiddels gemeengoed in brede kring. Onverdraagzame moslims beschuldigden in januari met rellerige spandoeken vice-president Megawati van passiviteit tegenover de `massamoord op moslims' in de Molukken. De vice-president geldt in die kringen als pseudo-moslim en bovendien hebben zij iets tegen vrouwelijke leiders. De effectiviteit van demonstraties als drukmiddel is nu ook bekend bij in het nauw gebrachte oud-politici en door het openbaar ministerie belaagde tycoons. Zo is de superminister van Economische Zaken, Kwik Kian Gie, vanouds een scherp criticus van malversaties door 's lands conglomeraten, de laatste weken het doelwit van een demo-hetze van moslimfanatici: hij zou aandelen hebben in een massagesalon. Het weekblad Tempo meent dat enkele zakenlui met grote schulden aan de staat deze campagne financieren.

BISIK (gefluister). Een bestaand woord dat de laatste maanden een nieuwe betekenis heeft gekregen. President Wahid is een meester in confuse and rule, een hoogst eigen variant op het aloude `verdeel en heers'. De manier waarop hij zijn besluiten neemt, het schijnbaar impulsieve karakter van zijn uitspraken en de informatie waarop hij die baseert, zijn ondoorzichtig en daarom onderwerp van wilde speculaties.

In de loop van zijn eerste honderd dagen heeft Wahid het oude Staatssecretariaat, het kabinet van de president dat onder de Nieuwe Orde een staat in de staat was, grotendeels ontmanteld en Bina Graha, zijn werkpaleis, bemand met een viertal `secretarissen'. Met uitzondering van de militaire secretaris rekruteerde hij die uit Nahdlatul Ulama (NU), de moslimbeweging die hij vijftien jaar leidde, en Forum Demokrasi, een groep activisten waarvan hij in 1991 medeoprichter was. Zijn persoonlijke secretaris, Ratih K. Hardjono, nam hij mee uit het hoofdkwartier van de NU. Ratih is een voormalige redactrice van het dagblad Kompas en was veertien jaar correspondent in Australië. Het viertal wordt in Wahid ongunstig gezinde kranten afgeschilderd als de `souffleurs' (pembisik) van de president, die de bijna blinde leider suggesties voor besluiten en benoemingen zouden `influisteren' (membisiki). Vorige week werden zij op het matje geroepen in het parlement, waar een afgevaardigde Ratih uitmaakte voor een `Australische spion'.

Dat Wahid zo zwaar op vertrouwelingen leunt, komt doordat hij niet overtuigd is van de loyaliteit van zijn ambtelijke en militaire informanten. In privé-gesprekken klaagt de president over de vele konkelende generaals in het Staatspaleis. Ratih liet zich onlangs ontvallen dat het in Bina Graha wemelt van de afluisterapparatuur.

GUS PRESIDEN `Gus' (jongeheer) is de Javaanse aanspreekvorm voor de zoon van een kiai (schriftgeleerde met een eigen school). Gus Dur is de in brede kring gangbare koosnaam voor president Wahid (Dur is een afkorting van Abdurrahman). Uit die bijnaam blijk zowel respect voor deze telg uit een dynastie van schriftgeleerden als vertrouwelijkheid. Wahids illustere voorgangers Soekarno en Soeharto werden achtereenvolgens aangesproken met het revolutionaire `Bung' (oudere broer, kameraad) en het paternalistische `Bapak' (vader). Wahid stamt uit het gezellig-vrome milieu van de pesantren (islamitische kostscholen), waar leraren en leerlingen met gekruiste benen en blote voeten debatteren op de mat.

De koosnaam `Gus' staat voor een nieuwe stijl van leidinggeven: je kunt de kiai bekritiseren, maar hij heeft altijd het laatste woord. Conflicten worden uitgevochten via silat lidah (vechtsport met de tong), maar de kemphanen worden nooit boos op elkaar en de verliezer wordt gezichtsverlies bespaard. Hoe ondoorgrondelijker de overwegingen van de leraar en hoe vernuftiger zijn uiteenzettingen, hoe groter zijn gezag.

Wahid heeft tijdens zijn loopbaan nooit een overheidsfunctie bekleed en heeft weinig vrienden in `het apparaat'. Zijn vaste voornemen om schoon schip te maken met corrupte functionarissen en de militairen een nieuwe, bescheidener plaats te wijzen, roept weerstanden en – wie weet – ambtelijke ongehoorzaamheid op. In deze krachtmeting hanteert Wahid onconventionele wapens: hij debiteert grappen die het goed doen bij het publiek en zijn tegenspelers op het verkeerde been zetten, hij laat proefballonnen op om reacties te peilen en doet verrassende onthullingen, die de indruk wekken dat hem, hoewel hij weinig ziet, heel weinig ontgaat.

KABINET GADO-GADO De vergelijking van Wahids regeringsploeg met een gemengde groenteschotel slaat op de etnische, religieuze en partijpolitieke veelkleurigheid van het kabinet. Die samenstelling stoelt voor een deel op positieve overwegingen – een `kabinet van nationale eenheid' in een cultureel heterogeen eilandenrijk – en is voor het overige een inlossing van politieke schulden. Wahid heeft zijn verkiezing door het Volkscongres te danken aan een gelegenheidscoalitie, die deels bestaat uit gelijkgezinden, deels uit partijen die de nationaliste Megawati de pas wilden afsnijden. `Waarnemers' en `deskundigen' hebben kritiek op het compromiskarakter van het kabinet omdat dit de slagvaardigheid zou verminderen. Van grote inhoudelijke meningsverschillen is overigens nog geen sprake. Technocraten, ook al zijn ze van verschillende partijen, spreken dezelfde taal, want Indonesische bestuurskundigen en economen hebben nog nauwelijks school gemaakt. Toch staan bewindslieden onder druk van hun achterban om partijgenoten op sleutelposten te benoemen en gewilde `apparaten', zoals staatsbedrijven, binnen de partijpolitieke invloedssfeer te trekken. Dit is een nieuw verschijnsel, want Soeharto's Nieuwe Orde was een feitelijke eenpartijstaat.

PROVOKATOR Nieuw is dit woord niet, maar het is nog nooit zo vaak – en zo willekeurig – gebezigd als het afgelopen jaar. Sinds de val van Soeharto zijn oude vetes, jarenlang opgebouwde spanningen en politieke hartstochten, die tijdens de repressieve Nieuwe Orde onder de oppervlakte bleven, weer opgelaaid.

De nieuwe openheid en de angst bij leger en politie om te worden vervolgd wegens schending van de rechten van de mens geven ruimte om tot voor kort latente conflicten uit te vechten. Frustraties over jarenlang star centralisme, militaire willekeur en roof van grondstoffen hebben in Atjeh en Papoea voedsel gegeven aan het verlangen naar afscheiding. Het door immigratie verstoorde demografische evenwicht tussen christenen en moslims en de achterstand van de oorspronkelijke bevolking ten opzichte van ondernemende nieuwkomers hebben van de Molukken een sociaal kruitvat gemaakt.

De term `provocateur' slaat op de diepgewortelde overtuiging onder de bevolking en bij politici, dat achter de jongste geweldsexplosies poppenspelers zitten die aan de touwtjes trekken. Die veronderstelling van regie achter de schermen is deels terug te voeren op de Indonesische voorliefde voor samenzweringstheorieën (de populaire voorstelling van het politieke bedrijf als een wajangtheater, waarin de personages worden gestuurd door een dalang, poppenspeler) en doet onvoldoende recht aan reële conflictstof. Toch zijn er sterke aanwijzingen dat enkele bloedige botsingen tussen burgers zijn uitgelokt door uitgerangeerde, al dan niet militaire machthebbers, om aan te tonen dat het heterogene Indonesië nog niet toe is aan een democratie. Recente vechtpartijen tussen moslims en christenen in Oost-Java en op Ambon vertonen de vingerafdrukken van de intel, de militaire inlichtingendienst.