Jongens

Ik lag in de bosrand op de Amerongse berg, de zon in mijn gezicht. Buizerds zeilden mauwend rond, een specht zat wroetend te tikken, mijn hond slaakte een zucht en de wind ging ritselend door het dorre blad van een jonge beuk.

Kom, dacht ik, humor.

U herinnert zich wellicht de klacht van de heer Lansink, fractievoorzitter van het CDA in de Nijmeegse gemeenteraad, dat het parkeren in Nijmegen duurder dreigde te worden dan in een stad als Utrecht, en mijn interruptie: `Ach, meneer Lansink, dan parkeert u voortaan toch in Utrecht?'

Hm, zei Daan. `Is dat het leukste wat je ooit gezegd hebt?'

`Het komt er in ieder geval dicht bij in de buurt', antwoordde ik op mijn hoede. `En jij? Heb je weleens wat leuks gezegd?'

Daar hoefde hij niet lang over na te denken. Hij begon te lachen, te schateren.

Een Japans verkeerstoestel was in een luchtzak terechtgekomen en had een smak van duizend, tweeduizend meter gemaakt voordat de piloot de toestand weer meester was. Het journaal liet een van de passagiers aan het woord. Hij had een nekbrace om. Hij vertelde wat ze aan boord hadden doorstaan: de klap, de chaos, het gegil.

`En toen zei ik', zei Daan. `Nog een geluk dat-ie dat ding om z'n nek had, anders had zo'n man nog lelijk gewond kunnen raken.'

Hm, zei Jan, die er ook bij was. `Is dat het leukste wat je ooit gezegd hebt?'

`Vind jij het niet leuk dan?' vroeg ik.

`Zulke dingen denk ik aan de lopende band', zei Jan. `Die zeg ik niet eens hardop.'

Ik ben buitengewoon content met mijn jongens. Wij hebben geen bedrijf, geen kapitaal, geen beroep dat nodig in de familie moet blijven. Maar genen hebben wij wel en op dit ene punt weet ik mij verzekerd van een prettige continuïteit: je kunt, als de tijd slaat, deze wereld met een gerust hart verlaten; je grappen worden toch wel gemaakt.