Hoe de Papoea's hun vrijheid verspeelden 1

Geen bel, maar een ouderwetse klopper. Achter deze deur in de Boliviaanse stad Sucre woont Fernando Ortiz Sanz. Het meubilair in zijn Spaans-koloniale huis is versleten en de familiefoto's aan de muur zijn vergeeld. De oud-diplomaat – wollen vest, boerenpet op het hoofd en een dikke sjaal om de nek – heeft Parkinson, maar is helder van geest.

De inmiddels 85-jarige Ortiz Sanz heeft geen bedenkingen over de musyawarah, de omstreden volksraadpleging die in 1969 leidde tot de definitieve inlijving van het voormalige Nederlands Nieuw Guinea bij Indonesië. ,,De einduitslag was wijs en verstandig'', blikt hij ruim dertig jaar na dato terug. ,,Ik heb voor hen (de Papoea's) de grootst mogelijke autonomie weten te bemachtigen. Ik heb hun gezegd: wees geduldig. Het moment zal ooit aanbreken, wees niet bang. Ga naar school, leer alles over de principes van de democratie en de weg zal zich voor jullie openen. Dat was een gezonde instelling, lijkt me.''

Ortiz Sanz was in 1969 hoofd van de waarnemersmissie van de Verenigde Naties die moest toezien op een eerlijk verloop van de zelfbeschikkingsprocedure voor de Papoea's. Sommige historici oordelen – achteraf – hard over de wijze waarop Ortiz Sanz zijn taakopdracht heeft ingevuld. Zoals bijvoorbeeld de Britse historicus John Saltford, die onderzoek verricht naar de musyawarah op basis van vorig jaar vrijgekomen VN-archieven. Hij erkent dat het Verdrag van New York, waarin de Act of Free Choice voor de Papoea's werd vastgelegd, veel ruimte liet voor interpretaties. Niettemin stond in het verdrag ook dat ,,de procedure'' diende te worden uitgevoerd ,,in overeenstemming met de internationale praktijk''. Dat daarvan in de praktijk niets van terechtkwam, is volgens de 32-jarige Saltford in hoge mate de schuld van Ortiz Sanz. ,,Hij heeft een keuze gemaakt. Niet waarnemen, maar de boel zo snel mogelijk afhandelen. Van staten verwacht je zulk cynisme, niet van een individu. Hij heeft zich gedragen op een manier die volledig ongepast is voor een hooggeplaatste VN-vertegenwoordiger.''

De omstandigheden waaronder Ortiz Sanz moest werken, waren moeilijk. Hij werd constant begeleid door Indonesische regeringsfunctionarissen en had slechts vijftien man personeel tot z'n beschikking – een voorwaarde van Indonesië. Bovendien was hij nauwelijks voorbereid. Na het vertrek van de Nederlanders (in 1962/63) zouden VN-deskundigen de zelfbeschikkingsprocedure van de Papoea's voorbereiden. Maar dat was niet gebeurd. Ortiz Sanz moest in een paar maanden tijd het werk verrichten waarvoor eigenlijk vijf jaar was uitgetrokken.

Jakarta wilde het risico van onafhankelijkheid indammen en wilde daarom voor alles voorkomen dat iedereen mocht gaan stemmen. Ortiz Sanz stelde een compromis voor: een `gemengd' kiessysteem. De mensen in de verstedelijkte gebieden zouden allemaal een eigen stem mogen uitbrengen, terwijl de rurale bevolking gebruik zou maken van `musyawarah', een systeem waarbij kiesmannen in naam van collectieven mogen stemmen. Ook dat wees Indonesië af; het eiste dat in het hele gebied de musyawarah zou worden toegepast. Uit VN-documenten blijkt dat Ortiz Sanz vervolgens de Indonesische autoriteiten lijsten heeft gevraagd met de namen en biografieën van de kiesmannen om vast te kunnen stellen in hoeverre ze een afspiegeling vormden van de bevolking. Maar hij ontving geen enkele naam. ,,Er bestonden simpelweg geen lijsten'', zegt hij.

Dat hij toch akkoord ging met de musyawarah was omdat dat volgens hem het ,,meest democratisch mogelijke'' was. Volgens Ortiz Sanz (en volgens Indonesië) waren de Papoea's ,,bijzonder primitief''. Het was, aldus de diplomaat, onmogelijk een referendum in Westerse stijl te organiseren, ofwel `in overeenstemming met de internationale praktijk'.

De Papoea's ,,bezaten niet het beschavingsniveau om hun eigen lot te bepalen. [...] Welke vrijheid kun je bieden aan een bevolking die niet in staat is haar eigen voedsel te produceren. Die onbekend is met alle andere geneugten van het leven. Ik denk dat de vrijheid een goed is dat met het verstrijken der jaren en de groei van de geest komt. Zolang mensen niet in staat zijn ideeën of initiatieven met elkaar uit te wisselen, kan er geen sprake zijn van welke klasse van vrijheid dan ook.'' De musyawarah was daarom een ,,praktisch'' systeem, en bovendien wijdverbreid in Azië.

In april 1969 – een paar maanden voor de musyawarah – brak een opstand uit in de westelijke centrale hooglanden. Rebellen eisten het vertrek van Indonesische troepen en een eerlijk referendum. Aanvankelijk negeerde Ortiz Sanz de opstand. Later zei hij dat het een Indonesische aangelegenheid was. Maar uiteindelijk ging hij toch op inspectie. Bij terugkeer verklaarde hij dat alles rustig was, wat door journalisten en ooggetuigen ter plekke werd tegengesproken. Daarop gewezen zegt Ortiz Sanz doodserieus: ,,Van gewapend verzet is pas sprake wanneer bepaalde mensen vrij willen zijn en anderen dat niet toestaan.'' De oud-diplomaat houdt vol dat het om een ontevreden minderheid ging.

De VN-waarnemer ontving geregeld petities van Papoea's ten faveure van de onafhankelijkheid. ,,Maar deze petities waren zeer fragmentarisch, geschreven door eenlingen, in verschillende dialecten. Dat maakte het moeilijk om het belang ervan in te schatten.'' Er waren ook veel ,,winkeliers en boeren, rustige mensen'' die hem vertelden dat ze bij Indonesië wilden blijven horen omdat de leefomstandigheden er op vooruitgingen. ,,Het leven in duisternis was [voor hen] voorbij.''

Ortiz Sanz stond volgens de historicus Saltford niet open voor dissidente geluiden die het herenakkoord tussen de internationale gemeenschap en Indonesië zouden kunnen verstoren. Volgens hem handelde Ortiz Sanz niet uitsluitend op eigen initiatief. Uit correspondentie met zijn superieuren blijkt dat men koste wat kost de onafhankelijkheid van Irian Jaya wilde voorkomen. Zo schreef het VN-hoofdkwartier in New York hem dat Indonesië zich er bewust van moest zijn dat toch op z'n minst de schijn van een democratisch proces moest worden opgehouden om internationale kritiek te voorkomen. De VN-secretaris-generaal U Thant vreesde volgens Saltford indertijd al dat de zelfbeschikkingsprocedure onder vuur zou komen te liggen. De `schijn van democratie' was daarom een absolute vereiste. Ook schreef U Thant de Indonesische autoriteiten in juni, vlak voor het begin van de musyawarah, dat het raadzaam was alvast te ,,overleggen'' met andere VN-lidstaten om te voorkomen dat er ,,ontwerp-resoluties aangaande het wezen van de kwestie Irian Jaya'' zouden worden ingediend.

De musyawarah, die op 14 juli 1969 begon, werd strak geregisseerd vanuit Jakarta. De kiesmannen werden door de autoriteiten aangewezen, dissidenten werden hard aangepakt en belandden in de gevangenis, zegt Saltford. ,,Er waren politieke gevangenen'', beaamt Ortiz Sanz. ,,De gevangenen werden geciviliseerd behandeld, niet barbaars. Natuurlijk bekritiseerde ik het bestaan ervan. Dankzij een brief van mij werden ze vrijgelaten.''

De derde musyawarah-bijeenkomst (van de in totaal acht) in de onrustige westelijke hooglanden dreigde een probleem te worden. Door de gevechten waren zoveel mensen het gebied ontvlucht, dat Indonesië `assembleeleden' moest `importeren' uit andere delen van Irian Jaya, meldden journalisten. In Manokwari werden protesterende Papoea's onder het oog van Ortiz Sanz afgevoerd in vrachtwagens. Een journalist die de demonstratie wilde fotograferen, werd met een pistool bedreigd. Over dergelijke incidenten rapporteerde de VN-diplomaat niet. In zijn ogen waren ze eerder uitzondering dan regel.

Alleen enkele Afrikaanse lidstaten hadden uiteindelijk kritiek op het eindverslag dat in november 1969 door Ortiz Sanz aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd voorgelegd. Verder protesteerde niemand tegen de `vrijwillige' aansluiting van Irian Jaya bij Indonesië. ,,Ook Nederland niet'', zegt Ortiz Sanz.