Eenzijdig beleid remt integratie

Het ontstaan van een allochtone onderlaag is niet te voorkomen. De aanwas van immigranten remt het integratieproces. Maar iedere allochtoon moet wel perspectief worden geboden, vindt A.P.N. Nauta.

Drie auteurs analyseren de multi-etnische samenleving. Ze baseren zich op verschillende feiten, komen tot verschillende conclusies en hebben allen gelijk. Scheffer, die het debat begon (opiniepagina 29 januari) haalt gegevens aan, voornamelijk van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), waaruit blijkt dat ondanks 25 jaar integratiebeleid de resultaten te wensen overlaten. GroenLinks-Kamerlid Femke Halsema (26 februari) sluit zich bij dit oordeel aan en dramatiseert het zelfs nog. Minister Rogier van Boxtel (12 februari) wijst erop dat in het algemeen de tweede generatie allochtonen het op school beter doet dan de eerste, en dat maatschappelijke succesverhalen van individuele allochtonen geen uitzondering meer zijn, zodat het erop lijkt dat zich een allochtone elite aan het vormen is. Maar daaruit de conclusie trekken dat er een blijvende vooruitgang is geboekt, is voorbarig in een periode van economische groei die al geruime tijd boven de drie procent ligt. Niettemin is de algemene conclusie terecht dat heel wat bereikt is.

Hoe kunnen nu alledrie de auteurs gelijk hebben? Omdat individuele allochtonen en zelfs hele allochtone generaties erop vooruit kunnen gaan, terwijl de allochtonen als geheel achterblijven bij autochtone Nederlanders. Dit is het gevolg van de immigratie. Als die maar groot genoeg is en iedere immigrant onderaan de maatschappelijke ladder moet beginnen, wordt het algemene resultaat van de allochtonen gedrukt en vormt zich op termijn een onderlaag met een sterk allochtone signatuur.

Voor een beoordeling van de toekomstige situatie zijn twee factoren van belang: de omvang van de immigratie en de snelheid van het integratieproces. Naarmate meer immigranten komen dan het `integratiemechanisme' kan verwerken, ontstaat een grotere groep niet geïntegreerde allochtonen.

Het CBS gaat ervan uit dat in 2015 circa 12 procent van de Nederlandse bevolking tot een etnische minderheid zal horen. Wanneer de illegalen worden meegeteld, ligt dat percentage iets hoger. Tweederde zal tot de eerste generatie behoren. Wanneer 12 procent teveel gevonden wordt, wat kan dan gedaan worden om de stroom te verminderen? Halsema meent, in tegenstelling tot Scheffer, dat het huidige toelatingsbeleid allerminst ruimhartig is. Zij ziet weinig reden dit nog sterker te beperken, maar zoekt de oplossing in een beter integratiemechanisme.

Op langere termijn is niet zo veel aan de omvang van de immigratie te doen. Rijke landen blijven een aanzuigende werking houden. Op microniveau, nationaal of Europees, zijn de mogelijkheden om de instroom te verminderen, beperkt door de praktijk van de uitvoering (illegalen), door rechtsstatelijke overwegingen en door overwegingen van humanitaire aard. Wat dit laatste betreft, in theorie kan natuurlijk veel, maar weinigen zullen menen dat de ernst van de problematiek het opzij schuiven van de rechtsstaats- en humanitaire beginselen rechtvaardigt. Het is realistisch om er voorlopig van uit te gaan dat de immigratie niet door enigerlei beleid sterk en blijvend te beïnvloeden valt.

Welke instrumenten voor integratie staan daar tegenover? Dat is zo langzamerhand een imposante reeks van maatregelen, instanties en financiële middelen. Van Boxtel wijst op het succes dat daarmee geboekt is, Scheffer op hun falen. Maar de belangrijke vraag is of deze maatregelen in de toekomst zijn opgewassen tegen de gevolgen van de immigratiebeweging. Uitgaande van economische scenario's voor de lange termijn en de huidige prestaties van het onderwijs- en werkgelegenheidsbeleid hebben CBS en CPB in een gezamenlijke publicatie geprobeerd daar iets over te zeggen. De resultaten zijn niet bemoedigend. Op beide gebieden zijn drie factoren van belang: de vorderingen die de allochtonen maken, de instroom van nieuwe migranten en de stijging van de `vergelijkingsgroep', de autochtone Nederlanders. Deze zorgen samen voor een stijging van het gemiddelde onderwijsniveau van allochtonen en voor een grotere spreiding daarbinnen. Emancipatie dus. Maar daar staat tegenover dat in de toekomst de groep met de laagste opleidingsniveaus veel sterker uit allochtonen zal bestaan. Iets overeenkomstigs zal optreden op de arbeidsmarkt. Het gecombineerde effect is dat in de toekomst de onderste sociale laag (met een slechte opleiding en geringe kansen op de arbeidsmarkt) voor een aanzienlijk deel uit allochtonen zal bestaan.

Het proces van integratie blijft dus achter bij de stroom nieuwe migranten. Is daar dan niets tegen te doen? De meest gehoorde kritiek op dit scenario is dat het (behalve te somber) ook te statisch is. Er is nog zoveel wat wij kunnen doen om het onheil af te wenden. Het ernstig nemen van deze dreiging, een verhoogde inzet en nieuwe methodieken zouden tot resultaat kunnen leiden. Dat is natuurlijk mogelijk, maar is het ook waarschijnlijk? Al zowat 20 jaar verwacht men bijvoorbeeld sprongsgewijze verbeteringen van de schoolresultaten van etnische kinderen. Ze zijn grotendeels uitgebleven.

Hetzelfde is op andere gebieden het geval. Zo schiet de deelneming van etnische minderheden in besturen van instellingen die macht en invloed hebben nog steeds te kort. Daar valt door een vastbesloten overheid wel wat aan te doen, maar dat ligt anders bij het onderwijs en de arbeidsmarkt. Op die terreinen is maar één conclusie mogelijk: integratie kost tijd en beleid zal daar op korte termijn weinig aan veranderen. De aanwas van immigranten belast het proces van integratie in sterke mate. De problemen die hiermee samengaan, kunnen niet door enkele simpele ingrepen opgelost worden.

Dit eist een andere houding tegenover de etnische minderheden. Er blijft de Nederlandse samenleving niet veel anders over dan zich in te stellen op de nieuwe situatie. Onder ogen moet worden gezien dat in de multi-etnische samenleving de sociale onderlaag gedurende langere tijd een sterk allochtone signatuur zal hebben. En dat betekent geduld hebben, geen overdreven verwachtingen koesteren maar doelgericht handelen, en ernaar streven dat in beginsel iedere allochtoon een perspectief heeft.

Wel moet alles worden gedaan om de kennis van het Nederlands, het aanleren van professionele en maatschappelijke vaardigheden en de arbeidssituatie van minderheden te verbeteren. Gebeurt dat niet, dan zal de toekomst er dramatisch uitzien.

Verder moeten etnische minderheden in de gelegenheid worden gesteld hun eigen belangen te laten gelden. Dat kan via deelname aan allerlei besluitvormende lichamen en besturen. Met die vertegenwoordiging is het pover gesteld. Dat kan niet alleen de overheid worden aangerekend; de samenleving als geheel heeft hier een rol te vervullen. Overigens heeft ook de overheid het laten afweten op dat gebied waar zij wel bij uitstek voor verantwoordelijk is (ambtelijke en politieke topfucties bijvoorbeeld).

Ontegenzeggelijk heeft de Nederlandse samenleving veel corporatistische trekjes. Om daarbinnen te slagen, kan men zich het best op dezelfde manier organiseren. Alle reden dus om de etnische zelforganisatie te bevorderen. Er zijn ook specifieke redenen waarom zo'n benadering een extra impuls kan geven aan de emancipatie van etnische groeperingen. Binnen een organisatie van eigen signatuur werkt de eigen cultuur niet als een nadeel, zij functioneert als een kern die enerzijds als referentie dient en anderzijds een plaats is waarop men terug kan vallen. De etnische organisaties kunnen worden tot een kweekvijver van een nieuwe elite. Het bestaan van een etnisch alternatief geeft overigens ook de algemene instellingen een grotere vrijheid van handelen, omdat die dan met meer recht van spreken `algemeen' kunnen zijn en te extreme etnische wensen kunnen afwijzen.

De bevordering van de etnische zelforganisatie roept bij velen weerstand op, ook omdat zij in verband wordt gebracht met de traditionele en tegenwoordig algemeen verfoeide verzuiling. Deze angst is grotendeels onterecht omdat wat hier wordt voorgestaan, op essentiële punten afwijkt van de oude zuilen. De diversiteit van de etnische minderheden, de geringe penetratiegraad (slechts een tiende van de moslimjongeren bezoekt een islamitische school) en de beperkte reikwijdte zijn contra-indicaties. Maar los hiervan moet men zich afvragen of nu werkelijk zoveel in te brengen valt tegen een islamitische zuil. Het zou wel eens een goed middel kunnen zijn om de de facto etnische segmentatie die ons voorlopig te wachten staat, bestuurlijk vorm te geven.

Het ontstaan, op termijn, van een sociale onderlaag met een sterk etnische signatuur is een onaantrekkelijk perspectief, dat zeker politiek onbehagen zal oproepen. Het is niet te zeggen of een etnische onderlaag speciaal bedreigend is voor de sociale stabiliteit en de maatschappelijke orde. In ieder geval is het goed te beseffen dat in de toekomst veel `algemeen' sociaal beleid in feite bestemd is voor etnische minderheden. Dat geldt voor de sociale zekerheid, maar ook voor veel andere terreinen. Veranderingen die men in die sfeer doorvoert, treffen de etnische minderheden selectief en sterk.

De grote nadruk op individualisme en eigen verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld op het terrein van de arbeidsbemiddeling en het onderwijs, sluit vaak niet aan bij wat allochtonen wensen en kunnen. Het blijkt in veel gevallen niet te passen in de cultuur waarbinnen zij zijn grootgebracht. Als hiervoor geen oplossingen worden gecreëerd, zullen de gevolgen van een ongelukkige eenzijdigheid niet uitblijven.

DOSSIER en DISCUSSIE: www.nrc.nl