DUKELSKY

,,Zoete muziek, maar toch verwant aan die van jou'', oordeelde Miaskovsky, Prokovjefs mentor. Prokovjef had hem in 1925 vanuit Parijs een enthousiaste brief gestuurd gewijd aan dé ontdekking van het seizoen: Vladimir Dukelsky (1903-1969). Ook voegde hij er een thema aan toe uit diens ballet Zéphir et Flore, uitgangspunt voor een variatiereeks in een Divertissements des Muses. Diverterend is de muziek alleszins, helder en goedgemutst als Prokovjef echter zonder diens sarcastische ondertoon, zoet als Debussy en Ravel, slechts een enkele keer iets gepeperder, als Satie. Het is effectvol geïnstrumenteerd en dankbaar voor de instrumenten geschreven.

Karakteristieker nog dan het ballet klinkt een Epitaphe voor sopraansolo, koor en orkest uit 1931, naar gedichten van Osip Mandelstam waarin een zwaluw neerstrijkt op de brandende sneeuw. Dit is op te vatten als een eerbetoon aan het moedertje Rusland van weleer zoals Dukelsky dat nog had gekend voordat hij vluchtte naar de Verenigde Staten. Daar raakte hij bevriend met Ives-navolgers zoals Ruggles en Rieger, met Szymanofsky en Gershwin en ontdekte hij de jazz. Gershwin raadde hem het pseudoniem van Duke Vernon aan en zo leidde Dukelsky als componist van lichte muziek een soort dubbelleven.

Gennady Rozhdestvensky pakt uit als een geweldige pleitbezorger zowel voor het kleurrijke ballet als voor de meer futuristische cantate waarbij het Residentie Orkest hem maar al te graag volgt: een schitterende productie.

Dukelsky: Zéphir et Flore en Epitaphe. Residentie Orkest o.l.v. Gennady Rozhdestvensky Chandos 9766.