De mooiste dekmantel

In 1900 liet de vrouw zich grif in het korset rijgen, een kwestie van verhullen, opstuwen en afsnoeren. In 2000 wil lingerie gezien worden. Twee visies op ondergoed: het postmoderne gruwelsprookje van vlees en slachthuis en de no-nonsense blik van een gebruiker.

Lingerie?

Hoe zegt u? Lin-ge-rie?

Hoepel op, zeg, met je lingerie, dat woord hoort thuis in romannetjes over beduimelde Franse gouvernantes. Strikjes en kwikjes op heus niet zo geheime plekjes, jarretelles, gordeltjes. Béhaha-tjes en lieve help mekind, wat ben je mooi als je lacht. Het Lido, de Blue Bells - allemaal langer dan één meter tachtig, allemaal in de maat met 90 60 90. Borsten in cup B met strass en een transparante slip met gelegenheid voor veren in je reet.

O. Pardon.

Lingerie, is dat geen Frans voor vuile was? Je zegt het en je ruikt het.

Ondergoed. Een goede term: ondergoed. Precies wat het zijn moet. Ondergoed zit ergens onder en daar zit het goed.

Iedereen draagt het, maar het zit verscholen. Alleen een beperkte kring van gezinsleden en heel goede bekenden weet hoe een ander in zijn ondergoed steekt. (Ik sla het uitzonderlijke griezeleffect over van de wijde rok die, na wc-bezoek in een drukke localiteit, vanachteren is blijven steken in de boord van een panty.)

Het is niet uitgesloten dat een derde het ondergoed te zien krijgt, een oude vriend, een kennis, een bijna vreemde, een volslagen onbekende zelfs. Ook in zulke gevallen speelt het ondergoed nauwelijks een rol. Het moet vooral snel uit.

Zichtbaar of verstopt: overdreven investeren is overbodig.

Zou je denken.

En toch: mooi ondergoed mag verborgen blijven in de coulissen van de dagelijkse dracht, er wordt met graagte duur geld voor betaald en het wordt van harte gedragen door massa's mensen.

Geef toe. Weinig weegt op tegen de sensatie achteloos een pauwblauwe zijden chemisette uit te zoeken en hem zonder passen af te rekenen bij een arrogante verkoopster. De volgende ochtend gaat de chemisette aan. Onder een grote trui.

Mooi ondergoed heeft zin. Niemand ziet het en toch recht het nieuwe hempje de schouders - ondergoed is het beste bewijs dat de mens zich niet kleedt voor een ander maar voor zichzelf.

Ondergoed is een voorwendsel. Een alibi. Een Indruk. Alles. Ga naar de bioscoop, daar zie je het duidelijk. De cinema is het grootste geschenk van de 20ste eeuw aan de mensheid en haar voornaamste ontdekking is de macht van het ondergoed. De oeronderjurk zat geramd om het gebeeldhouwde lijf van Anna Magnani, de oer-interlock werd gedragen door Marlon Brando in A Streetcar Named Desire. Geen chic, geen glamour. Naakt zonder bloot. Zweet in plaats van de suggestie van parfum. Onderjurk en interlock waren groezelig wit, aan beide hingen rafels. Ze wezen uit dat niet wat je draagt van belang is, maar hoe. Geen film of er staat wel even iemand in zijn hemd. Zet iemand op de juiste wijze in zijn ondergoed in beeld en hij schenkt een film het eeuwige leven.

Niet alleen filmers maken daar dankbaar gebruik van, ook fotografen zijn er dol op. Ze doen net of ze ondergoed willen laten zien, maar dat liegen ze, want ze weten, beter nog dan de filmers, dat ondergoed de mooiste dekmantel biedt voor iets anders.

Stop een vrouw in een corset, snoer haar stevig vast en met een beetje mazzel is onschuld je deel. Gekooid in een corset uit 1900 onttrekt zelfs het moderne fotomodel zich niet aan onbevangenheid. Haar gezicht, haar lichaam, ze drukken zichzelf uit. Hedendaags raffinement legt het af.

In 2000 spreekt schoonheid vanzelf en dat maakt van IJdelheid de grootste deugd. IJdelheid is niet gemakkelijk. IJdelheid stelt vragen en eisen, dat is haar goeie recht. IJdelheid krijgt antwoord van de technologie.

En dus verandert het sprookje van Sneeuwwitje, de mythe die sinds eeuwen ontkent dat schoonheid vergaat.

Sneeuwwitje is dood. Ze zit opgeborgen in een glazen kistje, verval heeft op haar geen vat, haar schoonheid blijft bewaard.

Tot zover geen nieuws.

Maar dat kistje is geen kristallen doosje in een zonnig woud, het is een vriescel in een slachthuis. Wuivende loofbomen zijn verdrongen door containers met dooie, kale botten en om Sneeuwwitje heen ruikt het niet naar margrieten maar naar oud bloed.

Ontveld vlees is geen omgeving voor de warme liefdeskus van een prins. De prins bestaat maar zijn mond is te koud voor een zoen. Hij doet het enig mogelijke, hij trekt de stekker van Sneeuwwitjes kist uit het stopcontact.

Sneeuwwitje ontdooit. Haar lijf en leden worden week en vochtig, haar haren nat. Rillend bonkt ze tegen het glas. Ze moet weg. Niet op stap met de prins maar zelf de wijde wereld in.

Op haar blote voeten. Op haar grote voeten. Op haar enorme voeten die niet waren opgevallen zonder haar bloedrode onderjurk. M