Consument is het waard gehoord te worden

Een Europees voedselbureau dat het vertrouwen van de consument wil winnen, moet wel naar die consument willen luisteren, meent Hans Dagevos.

In de hedendaagse consumptiemaatschappij is het voor organisaties, ondernemingen en overheden uiterst interessant zich op te werpen als belangenbehartiger van `de' consument. De veelgehoorde boodschap zich te richten op consumenten door `consument-relatiemanagement' begint door te dringen. Ook tot Brussel. Tegen deze achtergrond en op basis van de veronderstelling dat Europese voedselaffaires als BSE, dioxine en varkenspest de relatie tussen agrosector en consumenten geen goed hebben gedaan, is het plan opgevat in 2002 een Europees bureau in het leven te roepen dat gaat toezien op de veiligheid van het voedsel.

De voornemens in het onlangs gepresenteerde White paper on food safety laten er geen misverstand over bestaan dat een Europese voedselautoriteit in het teken moet staan van het publieke belang en handelt ten gunste van consumenten. Het (her)winnen van consumentenvertrouwen heeft de hoogste prioriteit. De nadruk ligt echter op onderzoeks- en controle-activiteiten op het terrein als voedingstechnologie, distributie, residuen, pesticiden, chemicaliën en diergezondheid. Hoe vitaal deze domeinen ook zijn voor de waarborging van voedselveiligheid, het is een nogal `technocratische' invulling van het geformuleerde karakter en doel van de Europese voedselautoriteit in oprichting.

Consumenten worden geïnformeerd over de gevonden uitkomsten. Anders gezegd, de Europese voedselautoriteit concentreert zich op communicatie naar consumenten. Communicatie en informatie in de omgekeerde richting krijgt aanmerkelijk minder aandacht. Welgeteld op één plaats van het 117 punten tellende witboek wordt gerefereerd aan deze mogelijkheid. Dan wordt aangetekend dat consultatie van consumenten belangrijk is. Het woord dialoog valt. De indruk wordt hiermee allerminst weggenomen dat het in de huidige plannen vooral gaat om een eenrichtingsverkeer van voedselbureau naar consument.

Dit wordt bevestigd doordat nergens in het witboek gesproken wordt over het verrichten van (comparatieve) studie naar het vertrouwen van Europese consumenten in hun voeding. Evenmin wordt de suggestie gedaan om bijvoorbeeld vanaf 2004 onderzoek te doen naar de mate waarin de doelstelling van het voedselveiligheidsbureau gestalte heeft gekregen. Het moge duidelijk zijn dat wanneer het de bedoeling is te achterhalen in hoeverre en waarom consumenten al dan geen vertrouwen hebben in de dan functionerende voedselautoriteit, dit niet kan zonder consumentenonderzoek. Maar beter nog dan een incidentele monitoring van het bureau zou het zijn wanneer consumenten structureel als gesprekspartners werden opgevoerd. Dat ook Internet hiertoe interactieve mogelijkheden kan bieden, komt net zo min aan de orde. Naar Internet wordt al helemaal niet verwezen.

Een bureau dat zich wil richten op het winnen van consumentenvertrouwen in een netwerksamenleving, zal moeten beseffen hoe noodzakelijk het is dat partijen elkaar leren kennen en begrijpen. Dan kan vertrouwen worden geschapen. Dan vergroot een wetenschappelijke Europese voedselautoriteit naast haar technologische kennis en probleemoplossend vermogen, eveneens haar sociale intelligentie. Sociale intelligentie die betrekking heeft op problemen en processen rondom consumentenvertrouwen, op alert- en gevoeligheid voor maatschappelijke signalen en voor motieven en zorgen van `consumensen'. Gegeven de doelstelling van het Europese voedselbureau, is aandacht hiervoor geen overbodig luxe.

Blijft dit alles een ondergeschoven kindje, dan moet betwijfeld worden of een Europees voedselbureau uit kan groeien tot een morele autoriteit, zoals de verantwoordelijke Europees Commissaris, David Byrne, wenst. Hierbij komt dat het gaat om een Europees bureau dat zijn troeven zet op onafhankelijkheid en objectiviteit – allesbehalve kwalificaties die bij de meeste inwoners van de lidstaten warme gevoelens van verbondenheid of moreel gezag oproepen.

Het imago van Europese gremia onder het grote publiek is bepaald niet alleen florissant. Het betrekken van NGO's is een mogelijkheid om geloofwaardigheid en legitimiteit te verkrijgen. In de planvorming ligt hier geenszins de nadruk op. Dat is nauwelijks vreemd omdat aanhalen van contacten met andere maatschappelijke krachten gemakkelijk op gespannen voet komt te staan met onafhankelijkheid en objectiviteit. De keerzijde is echter dat bij het idee van een onafhankelijk wetenschappelijk bureau voor de veiligheid van voedsel, het ivoren-torengevaar levensgroot aanwezig is.

Dit is in het geval van voedselveiligheid des te pregnanter omdat het vertrouwen van veel consumenten in de veiligheid van voedingsproducten of -processen gebaseerd is op emotionele of ethische gronden. Koele feiten en geverifieerde cijfers vormen niet vanzelfsprekend een vruchtbare voedingsbodem om consumenten te betrekken bij voedselveiligheidsinstanties en -beleid.

Mensen hebben een (emotionele) binding met eten. Ze vinden het belangrijk dat ze erop kunnen vertrouwen dat het levensmiddelenaanbod veilig is voor consumptie. Het zou spijtig zijn wanneer een Europees voedselbureau kansen onbenut laat die kunnen bijdragen aan de acceptatie én appreciatie van consumenten als behartiger van hun belangen.

Dr. J.C. Dagevos is senior onderzoeker bij het Landbouw-Economisch Instituut in Den Haag.