Wat is er zo erg aan aardig zijn?

Chang-rae Lee's debuut Native Speaker (1995) was een van die Eerste Boeken die de lezer het zekere gevoel geven dat zich een schrijver heeft aangediend voor een langdurig verblijf in de literatuur. Het was een bewonderenswaardig genuanceerde roman waarin aan de hand van de Koreaanse hoofdpersoon Henry Park op diverse niveaus de praktijk van assimilatie in de Verenigde Staten wordt beschreven. Lee's tweede boek is in dat opzicht een vervolg op zijn debuut. Het is ook ten minste even goed. De hoofdpersoon is hier Franklin Hata, een Japanse Amerikaan van Koreaanse afkomst, die door de bewoners van het New-Yorkse stadje waar hij woont `Doc' Hata wordt genoemd hoewel hij alleen maar een zaak in medische artikelen drijft. Of beter gezegd dreef, want in het heden dat het beginpunt is van de roman is hij een zeventigplusser die de zaak heeft verkocht en alleen woont in een royaal huis dat door een makelaar met begerige ogen wordt bekeken.

Doc Hata zwemt ook na zijn pensionering zijn baantjes in zijn zwembad, verzorgt zijn tuin met nog meer aandacht, en doet voor het overige nog steeds zijn best niet op te vallen en zijn plaatsgenoten geen aanleiding te geven hem als een buitenstaander te behandelen. Een onfortuinlijk binnenbrandje doet hem in het ziekenhuis belanden en het is daar dat, via herinneringen aan diverse fasen van zijn verleden, de binnenwereld van Hata zichtbaar wordt die hij zo zorgvuldig verdringt. Belangrijkste personage daarin is zijn Koreaanse pleegdochter Sunny die hij op haar zevende heeft geadopteerd met een flinke duit aan steekpenningen, want een vrouwelijke wees onderbrengen bij een ongehuwde man was eigenlijk tegen de regels. Een lief en getalenteerd meisje, maar naarmate Sunny ouder werd, werd ze rebels en onhandelbaar. Ze verliet het huis, na een zoveelste knallende ruzie waarin ze haar pleegvader de waarheid toebeet: `You make a whole life out of gestures and politeness. You're always having to be the ideal partner and colleague.' `En waarom niet?' antwoordt Hata veelzeggend. `Om te beginnen ben ik een Japanner. En bovendien: wat is er zo erg aan inschikkelijk zijn en aardig gevonden worden?'

Lee beschrijft met een mooie urgentie de speurtocht van Hata naar zijn verdwenen pleegdochter, die voorlopig eindigt in een huis aan de rand van het stadje, hangplek voor de plaatselijke druggebruikers, waar hij er getuige van is hoe zij een striptease opvoert voor enkele van de mannen. De aanblik van zijn pleegdochter die zichzelf op dermate expliciete wijze aanbiedt doet de herinnering aan een nog verder verleden steeds pregnanter naar boven komen: Hata's jaren als Japans soldaat tijdens de Tweede Wereldoorlog in bezet Birma en zijn relatie tot Kkutaeh, een van de `troostmeisjes' die tot prostitutie werden gedwongen voor het Japanse leger.

Het zijn uiterst schokkende scènes die fel contrasteren met de geleidelijkheid van Hata's hedendaagse bestaan. Op zichzelf is deze juxtapositie van Sunny, die zich vrijwillig, vanuit een hedonistische rebelsheid aan mannen aanbiedt, en Kkutaeh, die er alles, inclusief haar leven, voor over heeft om nooit meer gedwongen aan mannen aangeboden te hoeven worden, een ongelooflijk sterk effect, eerlijk gezegd misschien wel iets te sterk. Maar Lee slaagt erin het geloofwaardig te houden, meer nog, het in het verlengde te leggen van de manier waarop Hata zijn huidige leven leidt, zijn pijnlijk precieuze drang tot orde en aanpassing. Geleidelijk aan kunnen de gevoelens die deze herinneringen oproepen niet meer onder de duim gehouden worden. Er gebeurt dan binnen korte tijd erg veel in Hata's onmiddellijke omgeving, misschien wel een teveel aan drama. Hij noemt, met een hem typerende woordkeus, het zelf `verwarrend' dat zijn leven dat zo lang `met een achtenswaardige gratie heeft voortgekabbeld ( - ) in de laatste weken in een ware waterval lijkt te zijn losgeslagen, met een overstelpende kracht die me diep en trefzeker heeft meegetrokken.'

Dood, nog meer ziekenhuisbezoek, de teloorgang van de plaatselijke mall als metafoor voor het Amerika dat Hata vertrouwd is, en uiteindelijk een verbroedering of sorts met de inmiddels moeder geworden Sunny – Lee beschrijft het alles, evenals in zijn debuutroman, met groot vakmanschap in korte en lange rondtrekkende bewegingen, waarbij heden en verleden nooit toevallig elkaar afwisselen. Zo komen we pas tegen het eind de ontknoping te weten van een romance die zich ontwikkelde tussen Hata en buurvrouw Mary Burns, een vitale en ondernemende vrouw met beide benen ferm in de Amerikaanse mainstream.Deze lijn in het verhaal is misschien wel de indrukwekkendste die Lee heeft neergezet; het drama van de onmogelijkheid van hun verhouding tekent zich van het begin al af. Het incident dat het einde van hun relatie inleidt, illustreert beter dan wat ook Hata's instelling, en ook hoezeer zijn gezwoeg om niet als buitenstaander gezien te worden hem heeft losgetrokken van zijn gevoelens. In Mary's woorden: `You always try, Franklin, but too hard, like it's your sworn duty to love me.'

Lee haalt, als gezegd, misschien iets te veel overhoop in dit kleinsteedse immigrantendrama; een ander bezwaar is het te rooskleurige einde waarin alles wat te mooi in elkaar past. Maar voor het overige dwingt het boek louter bewondering af. Ik ben niet de eerste recensent die, al lezende, getroffen werd door parallellen tussen dit boek en Kazuo Ishiguro's The Remains of the Day; en ik zal ook niet de eerste zijn die zich lichtelijk geneert voor die constatering, alsof iedereen van Oost-Aziatische afkomst die in het Engels schrijft ook iets met elkaar te maken moet hebben. Maar de overeenkomst in de toonzetting van de vertellingen is frappant, en ook in hun streven tot naar gedweeheid neigende ordelijkheid en het bedwingen van het verleden hebben de beide hoofdpersonen in elk geval erg veel gemeen.

Chang-rae Lee, zelf als driejarige uit Seoul naar Amerika geëmigreerd, werkt op het moment aan een derde roman, die zich afspeelt onder Amerikaanse soldaten in Korea tijdens de Koreaanse oorlog. Hij is nu al een van de beste Amerikaanse schrijvers van zijn generatie; maar de werkelijke test van zijn kwaliteiten zou zich wel eens kunnen voordoen wanneer hij zich gaat wagen aan een nonhyphenated onderwerp, met andere woorden als hij elementen als cultuurverschillen en assimilatieproblematiek buiten zijn oeuvre zal houden. Of is zoiets zelfs in hedendaags Cheevercountry een onmogelijkheid aan het worden?

Buitenlandse literatuur

De Nederlandse vertaling, Gekunsteld leven, komt in mei uit bij Anthos.