Twisten over smaak

``Kunst neigt altijd naar de oppositie', zei onlangs een deelnemer aan een vrijdagavonddebat op Newsnight. Hetzelfde kan niet worden gezegd van het recht. Juristen zijn door de Amsterdamse rechtssocioloog Hoekema ooit onnavolgbaar getypeerd als ``administrateurs van de macht'. Toch oefent de kunst een onmiskenbare aantrekkingskracht uit op beoefenaren van het recht. Over deze liefde-haatverhouding handelt een opmerkelijke Engelse bundel die voortsproot uit de conferentie The Art of Justice, die vier jaar geleden werd gehouden in de Londense Tate Gallery.

De bundel beperkt zich overigens tot beeldende kunst en recht. De verhouding tussen deze twee grootheden heeft verschillende aspecten: het zo men wil artistieke element van de rechtsbeoefening, het gebruik van kunst door het `rechtsbedrijf' en de regulering van het `kunstbedrijf' door het recht. De titel van de conferentie verwees in de eerste plaats natuurlijk naar de befaamde Romeinse typering van het recht als de `kunst van het billijke en het goede' (ars aequi et boni). Later zou onze Hugo de Groot het hebben over `de const om na de regtvaerdigheit te leven'. Nog in onze tijd draagt een bekend juridisch tijdschrift de naam Ars Aequi.

Er is ook een kunst van het recht in de zin van de aankleding van de rechtspraak. Het beeld van Vrouwe Justitia – onderwerp van het eerste opstel in de bundel – is een bekend voorbeeld. Wij kennen haar alleen geblinddoekt, maar er zijn hele perioden geweest waarin zij haar blinddoek aflegde. Dat is niet zo vreemd; er is een heldere blik nodig om zaken te doorgronden en te kunnen wegen (de weegschaal is waarschijnlijk ontleend aan het wegen der zielen in het Egyptische Boek der Doden).

De blinddoek is `het meest raadselachtige van de attributen van Justitie' genoemd. Hij symboliseert rechterlijke onafhankelijkheid, maar ook tunnelvisie en angst voor de veelvoudige werkelijkheid. Daarmee wordt de blinddoek emblematisch voor de ingewikkelde verhouding tussen kunst en recht. Beide hebben een belangrijk element gemeen: het oordeel. Het is onderdeel van de rechtspraktijk maar speelt ook een grote rol in de kunstbeoefening (gilden) en -beschouwing (kunstkritiek). Maar dan gaan de wegen toch al gauw uit elkaar. De kunst staat niet alleen voor oppositie, het ter discussie stellen, maar voor het intuïtieve en caleidoscopische, terwijl het recht vooral orde, overzichtelijkheid en zekerheid benadrukt. Niet voor niets zegt men wel: het recht scherpt het verstand door het te beperken.

`Controversen over beelden doordringen de Westerse traditie van het recht', signaleert de inleiding tot de bundel. Een klassiek voorbeeld vormt het iconoclasme (letterlijk: het breken van de beelden) dat in 726 werd verordonneerd door de byzantijnse keizer Leo III. Deze breuk met het aanbidden van heiligenbeelden dat zo'n belangrijke rol vervulde in het Oost-Romeinse keizerrijk valt niet los te zien van de opdringende islam, die fundamenteel afwijzend staat tegen directe afbeeldingen van het goddelijke.

Ook de westerse (hellenistische) traditie zelf heeft het moeilijk gehad met het beeld. De iconoclastische scepsis werd mooi tot uitdrukking gebracht door een jurist uit de Renaissance, in het aforisme imago vertitas falsa (het beeld is een valse waarheid). Aan de andere kant bedient het recht (de macht) zich door de tijden heen graag van beelden. Een wel heel sprekend voorbeeld is het geëlaboreerde `Festival van de Justitie' dat in 1849 werd gehouden in Parijs en dat onderwerp vormt van een case study in de bundel. Een andere bijdrage behandelt de neerslag in de beeldende kunst van de culturele spanning tussen de rechtsstelsels van Engeland en Frankrijk in de Victoriaanse tijd. De Engelsen keken neer op de continentale justitie, maar tegelijk koesterden zij een opgewekt wantrouwen tegen de eigen juridische beroepsgroep.

De bijzondere en steeds verschuivende combinatie van liefde en haat jegens het beeld noemen de redacteuren van de bundel iconomachia: een `complexe wettelijke administratie van de esthetiek', die een hoogtepunt beleefde tijdens de Reformatie maar die nog steeds zijn invloed doet gelden. Erg juridisch is de behandeling van dit thema in de bundel overigens niet te noemen. Theologische, filosofische en taalkundige invalshoeken spelen een voorname rol, zeker in de algemenere beschouwingen.

Het is opmerkelijk hoe zeldzaam juridisch geduide gebeurtenissen zijn in de beeldende kunst. Goed en kwaad zijn natuurlijk een regelmatig terugkerend thema maar de echte rechtsbeoefenaar loopt pas warm voor het schilderij van Jeroen Bosch waarop een beurzensnijder een heerschap op de markt, die wordt afgeleid door een goochelaar, verlost van de beurs die deze aan zijn riem heeft bungelen. Diefstal (artikel 310 Wetboek van strafrecht) is het zeker. Of is het toch diefstal onder de verzwarende omstandigheid van `verbreking' (artikel 311 lid 5)? Het lossnijden van een paard dat aan een paal is gebonden geldt als gewone diefstal. Of zat de goochelaar in het complot en is het diefstal `door twee of meer verenigde personen' (lid 4)?

Een speciaal aspect van de relatie van juridische (en politieke) systemen tot afbeeldingen en kunst is de directe regulering van deze uitingen. Deze heeft een scala aan verschijningsvormen, van strafbepalingen over Entartete Kunst tot subsidieregelingen, van het reprorecht tot de restitutie van roofkunst en van veilingvoorwaarden tot de fiscale behandeling van kunstcollecties. De bundel beperkt zich tot een afdeling over kunst en pornografie. Dat is een prikkelend onderwerp door de exceptio artis (strafrechtelijke uitzondering voor de kunsten) die telkens wordt bepleit en telkens weer wordt ontzegd. Het is ook voer voor rechtspsychologen. Toch doet de beperking tot het thema van de zinneprikkeling in deze bundel de veelvoudigheid van het recht van de kunst wel erg tekort.

Cultuurgeschiedenis

Costas Douzinas en Lynda Nead (red.): Law and the Image. The Authority of Art and the Aesthetics of Law. University of Chicago Press, 288 blz. ƒ126,70 (geb), ƒ57,50 (pbk)