Snel wisselende registers

Wel literaire prijzen, geen fanclub. Een gerespecteerd oeuvre dat niet al te veel wordt gelezen. Zo zou je de positie van Huub Beurskens kunnen omschrijven. Ik vermoed dat dat iets te maken heeft met de wat moeilijke plaatsbaarheid ervan, en ook met zijn niet geringe reputatie als dichter. Is het vooral iets voor literaire fijnproevers, zoals menigeen schijnt te denken, of toch ook wel voor een ruimer publiek?

Beurskens lijkt deze kwestie tot geheime inzet te hebben gemaakt van zijn zevende roman, O mores! Hoofdpersoon is een schrijver, die wel het een en ander gemeen heeft met zijn schepper: opgegroeid in Tegelen, op school geweest in Venlo, liefhebber van figuratieve kunst, kinderloos, relativerende inslag. In een laconiek getoonzet hoofdstukje legt hij uit dat het niet eenvoudig is om van de pen te leven, zeker niet als men zijn `Pegasus' niet uit de `staatsruif' wil laten eten, zoals hij (en Beurskens) – en dus ongesubsidieerd door het leven moet. Hij wijst er fijntjes op dat een grootheid als Nabokov ook heel wat moest schrijven voordat hij internationaal doorbrak met Lolita. `Waarmee ik niet wil beweren dat ik zelf (...) op zo'n plotselinge klapper hoop, laat staan reken', voegt hij er dan haastig aan toe.

Dat is natuurlijk maar de vraag. Alleen al aan de titel van de roman, met zijn knipoog naar Cicero, is te zien dat Beurksens probeert aan te sluiten bij het thema van de komende boekenweek: de klassieke letteren, wellicht in de hoop op de boekenweekgolf mee te kunnen drijven. Bovendien loopt zijn roman, met al zijn aandacht voor het passiespel, vooruit op een ander nabij evenement: de paasdagen. Veel van de aantrekkingskracht van de roman schuilt overigens precies in de vermenging van heidense en christelijke elementen.

Zijn hoofdfiguur, Ivo Duis, van katholieke komaf, is in meer dan één opzicht nogal kruisgericht, maar hij steekt ook zijn gymnasiale achtergrond niet onder stoelen of banken. Hij citeert Vergilius en Ovidius en gebruikt graag moeilijke woorden, zoals `diffameren', `penurie' of `compeer'. Als hij seksueel opgewonden is, heet het dat hij een `acuut gevoel van tintelende zweverigheid' bespeurt in zijn `bulbocaverneuze spier', of dat hij, anders dan Christus, niet eerst hoeft te sterven om een `resurrectie' te beleven.

Hij is een typisch Beurskenspersonage: nuffig en burgerlijk, maar ook een onmiskenbare schuinsmarcheerder; een koele kikker, maar ook een sentimentele kwast; iemand die alles naar zijn hand zet, maar ook een papkindje, dat om de haverklap zijn moeder belt om door haar onder de kin gestreken te worden. O mores! is geen gewone roman, maar een roman in wording, die een ingewikkeld verband aangaat met de werkelijkheid waaruit hij zogenaamd voortkomt. Heeft de schrijver nog greep op zijn woorden, of raakt hij steeds meer verstrikt in zijn vleesgeworden bedenksels – dat is een van de vragen die de roman oproept.

Deze dubbelzinnigheid, die je Beurskens' fort kunt noemen, heeft veel komische passages tot gevolg. Zo zien wij de schrijver betrokken raken in een hernomen liefdesaffaire met een jeugdvriendin. Hij wil het eigenlijk niet en hij wil er zeker niet over schrijven, omdat hij zich schaamt voor zijn puberale gedrag, maar onontkoombaar dringt de scabreuze werkelijkheid zich op. Al voordat de eerste afspraak is gemaakt, raakt hij met de feiten in de knoop. Bij het bekijken van foto's van haar, verliest hij zijn zelfbeheersing: hij `draaide de mengkraan open en onaneerde boven de wastafel'. Hij corrigeert zichzelf dan meteen: `Natuurlijk deed ik dat niet'. En hij legt vervolgens omstandig uit dat hij deze uitspraak alleen maar deed om te laten zien hoe oncontroleerbaar zoiets is voor de lezer, die het immers zonder videobeelden moet stellen. Maar een bladzijde en heel wat geredeneer verder, heet het ineens: `Ik fatsoeneerde me en ging weer aan mijn bureau zitten.'

O mores!, de titel zegt het al, wil een zedenschets zijn. Hoe gaan de mensen met elkaar om, wat vinden ze belangrijk, hoe lossen ze hun problemen op. Voor de antwoorden moet men niet bij Beurskens zijn; hij werpt liever een kwestie op dan die tot een eenduidig einde te brengen. Waarom een homoseksuele man zo graag de Jezusrol wil vervullen in het passiespel, waarom de toneelvereniging in zee gaat met een machts- en geldbeluste regisseur die in een paar weken een eeuwenoude traditie om zeep weet te helpen, en waarom de schrijver nu zo zijn best doet om zijn huwelijk te redden, dat alles blijft op een prettige manier duister. Zoals de overspelige Ivo Duis zich niet interesseert voor zijn Anneroos, zo interesseert zij zich, al even overspelig, niet voor hem en zijn schrijverij. De enige voorwaarde die zij stelt, is dat hij haar erbuiten laat. Maar juist dat wil hem niet lukken. Het hele leven stroomt binnen in zijn roman, die steeds meer op een dagboek begint te lijken, met alle registerwisselingen vandien. Dat is ook een van de charmes ervan: dat verheven taal wordt afgewisseld met gehakkel, vernuftige redeneringen met koddige terzijdes. Als Beurskens met deze roman al iets fundamenteels wil zeggen, moet dat zijn dat er veel gelijktijdigs is in onze wereld en dat het onverstandig is alleen te geloven in wat men toevallig als de waarheid ziet.

Nederlandse literatuur

Huub Beurskens: O mores! Meulenhoff, 252 blz. ƒ34,90