Minacht de Berkel niet!

Onlangs maakte ik een wandeling door de Achterhoek. De lage winterzon vloekte met de mildheid van het weer. Het is immers al lang voorjaar! ,,Het is nog niet uitgemaakt wie het eerst de lente proclameert'', schreef Jac. P. Thijsse, ,,de zanglijster, de sneeuwklokjes of de hazelaar.''

Wel, de katjes van de hazelaar zijn er al sinds december, de sneeuwklokjes maakten begin januari hun opwachting en het lied van de zanglijster is hier al wekenlang in de vroege morgen te horen.

Je zou heel goed aan de hand van Thijsse de Achterhoek kunnen verkennen. Leerlingen als Jan Strijbos en Kees Hana vergeleken hun vereerde meester graag met Mozart: ,,Als Mozart was Thijsse een lieveling van goden en mensen; als Mozart heeft hij ogenschijnlijk moeiteloos en spontaan een onafgebroken reeks van kleine en grote meesterwerken voortgebracht.''

Het is waar dat de woorden van Thijsse, bijvoorbeeld in de gidsjes over de Lange Afstand Wandelpaden, vaak aangehaald worden. De reden is niet zozeer dat Thijsse een elegante manier van schrijven had, alswel dat hij een beeld van Nederland oproept waarnaar menigeen heimwee heeft. Hoe vaak heb ik natuurbeschermers niet horen zeggen dat Nederland anno 1900 op zijn mooist was?

Nee, dit keer nam ik een handvol kopietjes mee van de bladzijden die dominee J. Craandijk in zijn `Wandelingen door Nederland' aan de Achterhoek wijdde. Het is altijd een genoegen diens bloemrijke proza te lezen, zeker wanneer je in zijn voetsporen treedt. Net als zijn 19de-eeuwse tijdgenoten gaf Craandijk flink wat galm en emotie aan zijn beschrijvingen mee.

Als hij een blik werpt op het kasteel in Vorden, dan spreekt er een `magtige taal tot zijn gemoed'. Hij ziet grauw bemoste muren, klimplanten die langs gesloten vensters neerhangen en purperen tinten op het leien dak. `Was het niet, gelijk in het sprookje van de schoone slaapster, als een betooverd slot?'

Heel mooi zijn ook de woorden waarmee hij de Berkel beschrijft, die haar stempel op het noorden van de Achterhoek heeft gezet. In Zutphen is die stroom `tot een gracht vernederd'. Maar in de velden toont zij zich in haar volle glorie.

,,Minacht de Berkel niet'', roept de dominee uit. ,,Nederig is zij en zonder aanmatiging, maar in hare eenvoudigheid is zij een zegen voor het gewest, waarvan zij een der sieraden is. Voor den Mississippi zou de Graafschap te klein zijn; voor de Berkel heeft zij ruimte genoeg.''

Op mijn zoektocht naar oude reisverhalen over de Achterhoek, stiet ik op een themanummer van Gelders erfgoed over de Berkel. Een artikel handelt over de Berkel als bron van literaire inspiratie. Om die reden zal de schrijver van het stuk geen oog hebben gehad voor Craandijk.

Hij noemt wel Menno ter Braak, die in Eibergen opgroeide en die als jongen graag op de bevroren plassen van de Berkel, die 's winters steevast het land onder water zette, mocht schaatsen. Een buurmeisje gaf in een gedicht een raak beeld van haar beroemde plaatsgenoot:

Hij draaide zijn wandelstokje rond

ter ere en vreugde van zijn hond.

(...)

Maar wij, wij zagen dit alles aan

en bleven met open monden staan,

want tegen ons sprak hij Frans

en Duits,

en dan geven boerenkinderen geen

thuis.

Stokje tot steun, hondje tot vrind,

zo liep Menno met de neus in de

wind.'

In het artikel wordt ook melding gemaakt van een onbekende 18de-eeuwse dichtbundel van een zekere Adriaan Harmensz Oldekamp. In De Berkellisschen wordt verhaald van een botermeisje dat op weg naar Zutphen door een snoodaard wordt verkracht. De schrijver van het artikel zwaait lof toe aan Rody Chamuleau, die deze bundel – die in geen enkele bibliotheek te vinden is – ontdekt heeft.

Wantrouwig staar ik naar de regels over de `soete meid' met haar `zwellend keursje' die in de `lieve vroeglingtijd' langs de Berkel loopt. Chamuleau, kleine uitgever (van `De Bosbespers')? Waar ken ik die nog meer van? Is dat niet de man die zo dol is op parodie en pastiche? Jazeker, hij redigeerde zowel een groot parodieënboek (`Ik ben geboren in Apeldoorn') als een bundeltje pastiches (`De Muze vermomd'). Het verbaast mij dan ook niet dat ik de naam Oldekamp in geen enkel naslagwerk tegenkom.

Vermoedelijk had Gelders erfgoed beter de goudeerlijke Craandijk kunnen aanhalen dan die suspecte Oldekamp.