Mak slordig in citaat Waffen-SS

De artikelen over Nederlandse leden van de Waffen-SS die na de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië vochten, komen zestien jaar nadat ik ze in deze krant geschreven heb, onverwachts weer in het nieuws omdat Geert Mak in zijn boek `De eeuw van mijn vader' ten onrechte de feiten in mijn artikelen voor de waarheid had gehouden, ja zelfs ,,als een goedgelovige in die kuil is gevallen'', zo zegt hij in het laatste nummer van Opmaat, tijdschrift over veteranen in oorlog en vrede. Na lezing van zijn besluit om de gewraakte passages in een volgende druk te schrappen – gebaseerd op onderzoek van de heer van der Gaag, die constateert dat er van mijn bronnen ,,geen spaan heel bleef'', lijkt het mij dat de kuil waarin Mak denkt gevallen te zijn, misschien toch door Van der Gaag gegraven is.

Waarom? In de eerste plaats omdat de artikelen ook nog na zoveel jaren telkens weer geplaagd worden door het slordig lezen c.q. slordig citeren. Het meest storende voorbeeld betreft hier het aantal Waffen-SS'ers dat ik zou hebben genoemd. In een aantal kranten en weekbladen in de afgelopen jaren werd steevast een aantal genoemd dat nooit in mijn artikelen heeft gestaan. Zo ook nu weer Mak. ,,Volgens regeringsstukken die later zijn vrijgegeven betrof het hier zo'n vijftien- à dertigduizend man, minstens een op de zes van de uitgezonden militairen'', aldus Geert Mak in Opmaat. De tekst van mijn artikel luidt: ,,Vast lijkt te staan dat een onbekend aantal oud-SS'ers in Indonesië hebben meegevochten.'' De slechte lezers komen aan hun gigantische aantallen omdat deze vermeld staan in een door mij geciteerd memorandum aan minister-president Gerbrandy, premier van het oorlogskabinet in Londen, inzake de toekomst van de terugkerende Nederlandse leden van de Waffen-SS. Dat memorandum schat het totale aantal Nederlanders in Duitse krijgsdienst op tussen de vijftienduizend en dertigduizend. ,,Er zijn'', aldus het memorandum, ,,15.000 misschien 30.000 goed geoefende soldaten. Na een training van enkele weken in het hanteren der geallieerde wapenen kunnen zij tot actie overgaan.''

Mijn artikelen suggereren nergens dat dat memorandum regeringspolitiek was, noch dat ook daadwerkelijk zoveel Waffen-SS'ers naar Indonesië verscheept zouden zijn. Dat het memorandum volgens een noot in het boek van Mak van de hand van de toenmalige minister-president Schermerhorn zou zijn, is mij een raadsel. De naam Schermerhorn komt voor met betrekking tot een geheel ander stuk, namelijk dat van minister Meynen, minister van Oorlog in het kabinet-Schermerhorn, die een richtlijn uitzendt dat de commandanten ter plaatse in Indonesië moeten beslissen of soldaten met een verleden in Duitse krijgsdienst moeten worden ontslagen of niet, en dat adviezen van het Bureau Nationale Veiligheid in Nederland (de voorloper van de BVD), dat daarvoor pleit, dienaangaande niet bindend zijn. Ik heb ook niet geschreven, zoals Mak suggereert, dat `massaal' van deze nogal bijzondere mogelijkheid tot politieke reclassering gebruik is gemaakt. Wel heb ik een stuk van het ministerie van Oorlog van 6 mei 1949 geciteerd, waarin het probleem van de toekomst der spoedig, na de onafhankelijkheid van Indonesië, terugkerende, politieke delinquenten, wordt aangesneden. ,,De politieke delinquent'', aldus de minister, ,,die zich door zijn militair gedrag waardig heeft betoond dient hersteld te worden in zijn recht om bij de gewapende macht te dienen.'' Verder pleit hij er ook voor om hem in zijn andere rechten te herstellen, zoals het kiesrecht.

Ten slotte is er het steeds weer terugkerende misverstand dat ik geschreven zou hebben dat het hier om beleid van de Nederlands regering zou gaan. Omdat ik wist en weet dat deze kwestie heel gevoelig is, en ik ook nooit een kabinetsbesluit heb gevonden, spreek ik ook uitdrukkelijk in de laatste zin van mijn tweede artikel over de ,,eigen omzichtige politiek van het ministerie van Oorlog''. De teneur van mijn tweede stuk is dat het ministerie van Oorlog zelf, zo nu en dan gehinderd door Justitie, het door mij beschreven beleid heeft gevoerd, zonder het in het kabinet aan de orde te stellen. Wellicht omdat men vreesde dat er zich dan te veel tegenstand zou ontwikkelen.

Chris van Esterik is politicoloog en freelance-journalist.