Maarten Koning kijkt tevreden terug

In het zesde en op één na laatste deel van J.J. Voskuils romancyclus Het Bureau gaat de hoofdpersoon Maarten Koning, hoofd van de afdeling Volkscultuur van het A.P. Beerta-instituut, op 61-jarige leeftijd met vervroegd pensioen. De trouwe lezer van de voorgaande delen is mogelijk diep overtuigd geraakt van de zinloosheid van het onderzoek dat op het bureau wordt verricht, van de weerzin die Koning er voelde en van het knagende leed van het moeten werken met anderen. Maar bij zijn afscheid blikt Koning, ongelooflijk maar waar, niet zonder tevredenheid terug.

Bij zijn vertrek blijkt hij de mensen tussen wie hij al die jaren met tegenzin heeft verkeerd, bijzonder sympathiek te vinden. De wijze waarop zijn vak zich, vooral dankzij hem, wetenschappelijk heeft ontwikkeld, vervult hem met trots. En toch heet dit deel: Afgang. Dat doet een smadelijke nederlaag vermoeden, hoewel hij een bloeiende afdeling achterlaat, met medewerkers die hem bij zijn afscheid hogelijk zeggen te waarderen. De man die zichzelf honderden pagina's achtereen de grond in boorde, is ondanks zichzelf in zijn werk gaan geloven en gaat daar zelfs prat op. Het lijkt ijdelheid, maar voor Maarten Koning is de erkenning trots op het bureau te zijn zoiets als het opbiechten van een doodzonde.

In de voorgaande delen was het bureau vijandelijk gebied. Niet alleen Maartens excentrieke vrouw Nicolien beschouwde zijn werk als een Eichmanniaanse misdaad, ook hijzelf zag deze deelname aan de maatschappij als een vorm van collaboratie die hij alleen onder protest aanvaardde. Werd in de delen 4 en 5 (Het A.P. Beerta-Instituut en En ook weemoedigheid) dit protest al zwakker, in Afgang is het zo goed als verdwenen. Er wordt nog wel gekankerd op het bureau, de bureaucratie, de bezuinigingen, de mensen, maar wat overheerst is Maartens tevredenheid over zijn `wetenschapsbeleid', zijn manier van leidinggeven en de successen die hij daarmee boekt. Dit uiteraard tot ongenoegen van Nicolien. Anders dan bij Maarten is er bij haar geen sprake van enige ontwikkeling, ze blijft wie ze altijd was – dat is haar charme – en ziet met lede ogen aan hoe de afstand tussen haar en haar veel te `maatschappelijke' echtgenoot almaar groter wordt. `Je bent gewoon een eigen leven gaan leiden met dat Bureau en daar sta ik helemaal buiten', verwijt ze hem. `Ik had me ingesteld op een leven van allebei tegen de maatschappij. Ik wilde geen kinderen en jij wilde geen baan. En toen je wel een baan nam, kwam je tenminste nog zo vaak mogelijk thuis, maar dat is ook allang niet meer zo.'

Afgang beslaat de jaren 1982-1987 en het mag een wonder heten dat het huwelijk van de Konings gedurende deze periode Maartens werk op het bureau overleeft. Nicolien is uiterst labiel, Maarten worstelt met zijn ego en zijn behoefte aan (wetenschappelijke) erkenning, waarover hij van Nicolien niet praten mag en zelfs niet denken. Wat in eerdere delen tussen de regels bleek, wordt in Afgang expliciet gezegd: Maarten zit onder de plak bij zijn vrouw. Hij heeft thuis niets in te brengen en zelfs over zijn leven buitenshuis speelt Nicolien de baas. Onder het mom van haar feministische `strijd tegen de autoriteit van de man', waar ze Maarten voortdurend mee om de oren slaat, voert ze een pathetisch gevecht tegen haar eigen eenzaamheid: `Je hoort bij mij te zijn! Hier! Thuis! En niet op het Bureau! (...) Sinds wanneer ben jij verantwoordelijk voor anderen? Je bent verantwoordelijk voor mij! En voor niemand anders!'

Even absurd als afschrikwekkend is een scène, spelend in 1983, als Maarten heeft vernomen dat hij in aanmerking komt voor een hoogleraarschap dat hij in het belang van het bureau moeilijk kan weigeren. Van Nicolien mag hij er niet over denken, laat staan praten. Als hij dat – op haar aandringen overigens – toch doet wordt ze gewelddadig. Ze slaat hem, roepend: `je doet het niet en anders donder je maar op', gooit zijn bierglas over tafel, en geeft hem ten slotte `met haar volle vuist een harde stomp tegen zijn kaak'.

Een bladzijde later maakt Maarten (niet Nicolien!) het weer goed. Hoogleraar wordt hij niet, hij zou dat niet eens durven te ambiëren, maar wat hij – voor het eerst – wel durft, is reflecteren op zijn verhouding met Nicolien. `Een mens zou geïnteresseerd moeten zijn in wat een ander mens beweegt', denkt Maarten na alweer een ruzie, en hij voegt er aan toe dat Nicolien zo'n mens niet is. Als ze weer eens op hem afgeeft, omdat hij een lezing moet houden, vervalt hij in machteloos zelfbeklag. `Niemand die zei: arme lieveling, en je hebt het al zo druk.'

Wie Koning een beetje kent, weet dat zelfs de gedachte aan een echtscheiding hem vreemd is. Hoort Maarten dat een van zijn medewerksters op het bureau en haar vriend uit elkaar gaan, dan vindt hij het bedreigend dat `dit verschijnsel' nu ook tot zijn afdeling is doorgedrongen. Zijn huwelijk is een plicht, zoals de bezoekjes aan mijnheer Beerta in het verpleeghuis en aan zijn demente schoonmoeder in Den Haag plichten zijn. Het behoort tot de onvermijdelijkheden die hij niet ter discussie stelt. Het leven als ambacht: `Wat gebeuren moest, moest gebeuren. Daarin leek hij op zijn vader.'

Het werk op het bureau heeft Maarten ook altijd als plicht opgevat, waarmee hij geen eer mocht inleggen en die hem zeker geen bevrediging mocht schenken. Het bureau is weliswaar even zinloos als het leven zelf, maar omdat er geen ontsnapping mogelijk is moet hij er toch maar iets van zien te maken. Dat doet Maarten, zij het met niet aflatende gêne.

Die gêne is het centrale thema van Afgang, waarin Voskuil zich opnieuw bewijst als de chroniqueur van de kleine schaamte over de eigen verlegenheid en ontroering, zijn uiterlijk, eigendunk, xenofobe opwellinkjes en andere `rechtse' gedachten. Achter de kleine schaamte gaat een grote radeloosheid schuil. Het besef van de zinloosheid van zijn (het) leven komt in Afgang vaker en nadrukkelijker ter sprake dan voorheen. Het is er zelfs wat dik opgelegd. Als afdelingshoofd voelt Maarten zich `een bedrieger', een `dominee die niet meer in God gelooft, maar niettemin de mensen week in week uit blijft wijsmaken dat het leven zin heeft'. Ook buiten het bureau vindt hij `alles alleen nog maar zinloos'. Zo helemaal niet van belang, dat het overlijden van drie mensen die een grote plaats in Konings bestaan hebben ingenomen, Nicoliens moeder, mijnheer Beerta en Frans Veen, hem nauwelijks lijkt te raken. In zijn ogen is de dood een bevrijding.

De enige activiteit die het leven dragelijk maakt, is de zinloosheid vormgeven door er over te schrijven. Daarover praat hij met Frans Veen die alles in zijn dagboek optekent, terwijl Maarten alleen nog maar noteert wat hem obsedeert. Het mag duidelijk zijn dat het bureau tot zijn grootste obsessies behoort. Bij zijn afscheid voorspelt een medewerker dat Maarten spoedig een nieuw leven zal beginnen `met de eerste bladzij van een roman die Het Bureau zal heten'.

Van Voskuils cyclus Het Bureau zal nog maar één deel verschijnen met als titel De dood van Maarten Koning. Het ziet er dus naar uit dat Koning Het Bureau niet meer zal kunnen schrijven en sterft zonder de zinloosheid te hebben vormgegeven. Gelukkig heeft Voskuil dat voor hem gedaan, en hoe! Afgang is weer meesterlijk, spannender dan het af en toe wat trage voorgaande deel, beklemmend en hilarisch en in al zijn eenvoud schitterend geschreven.

Nederlandse literatuur

J.J. Voskuil: Afgang. Het Bureau 6. Van Oorschot, 709 blz. ƒ99,– (geb.), ƒ69,– (ing.)