Lekker vet eten!

Stel je voor dat je zestig kilo weegt. En stel je dan ook nog eens voor dat je iedere dag zo'n twintig kilo voedsel naar binnen schrokt. Bijvoorbeeld drie rode kolen, acht pakken rijst, vijftien winterpenen, twee kilo gehakt, twaalf appels, drie broden en twintig tomaten. Iedere dag weer. Van oktober tot en met februari. Gedurende die maanden wordt je steeds dikker. Uiteindelijk heb je stevige vetrollen. Maar dan, begin maart, stop je ineens met eten, want je moet op een hele lange reis. De trip gaat van Nederland helemaal naar het koude noorden van Siberië. Dat is een afstand van meer dan 5.000 kilometer. De reis kost veel energie. Je valt weer wat af. Eenmaal in het ijzige Siberië daalt je lichaamsgewicht verder omdat er weinig eten voor handen is. En daar in dat koude noorden krijg je dan, in juli, ook nog eens vier kinderen.

Klinkt dat onvoorstelbaar? Voor de mens wel. Die heeft namelijk een heel ander eetpatroon, die reist ook niet zoveel en krijgt normaal gesproken niet zoveel kinderen. Maar voor veel ganzen is het de normaalste zaak van de wereld. In de winter zitten ze in Nederland, Duitsland of België. Ze bouwen hier vetreserves op om in de lente helemaal naar Siberië te kunnen trekken. Daar in de ijzige kou leggen ze hun eieren en krijgen ze hun jongen. De ganzen vermageren in die maanden. In oktober vliegen ze weer naar het zuiden om op krachten te komen. Zo gaat dat, jaar in jaar uit. Naar Nederland, en weer naar Siberië, heen en terug.

Nu zitten de ganzen nog in Nederland. In de Nijmeegse Ooypolder bijvoorbeeld. Daar overwinteren misschien wel 50.000 kolganzen. Je herkent ze aan de witte vlek om hun snavel. Soms zie je ze door de weilanden waggelen, met zijn duizenden. De kop naar beneden gericht, naar het gras. Met hun snavel trekken ze grassprieten af. Iedere dag eten ze er ongeveer een kilo van. Dat is eenderde van hun lichaamsgewicht.

Nog een paar weken, en dan gaan ze weer terug naar Siberië. Waarom ze dat eigenlijk doen is niet bekend. Waarom ze uitgerekend in de gure kou hun jongen krijgen en waarom ze hier vervolgens komen bijtanken, is niet duidelijk. Dat raadsel van de ganzentrek is nog onopgelost.

Trouwens, de kolgans is niet de enige die trekt. Ook meeuwen, zwaluwen, zwanen, pelikanen en strandlopers vliegen jaar na jaar vele duizenden kilometers heen en weer tussen twee plaatsen. De kampioen van de trekvogels is de Noordse stern. Het dier reist twee keer per jaar van pool naar pool, een rondvlucht van meer dan 32.000 kilometer.

En behalve vogels zijn er nog veel meer trekkers. Soepschildpadden bijvoorbeeld. De jonge schildpadjes worden geboren op het eiland Ascension, in de Atlantische Oceaan. Meteen na de geboorte laten ze zich op de stroom meevoeren naar de kust van Brazilië, 2200 kilometer verderop. Drie jaar later gaan de schildpadden weer terug. Ze weten de weg naar het acht kilometer lange eilandje feilloos te vinden. Sommige vlinders, sprinkhanen, garnalen, palingen, olifanten, walvissen, zebra's, rendieren en vleermuizen leggen jaarlijks ook vele kilometers af. Het heen en weer reizen zit veel dieren in het bloed.