Kunst met een geheven zwaard

De culturele politiek in Karinthië wordt bepaald door Andreas Mölzer, rechterhand van Jörg Haider. Hij pleit voor kunst die `de eigen culturele identiteit' benadrukt.

Kunstenaars die van subsidies leven zijn hoeren, liet Andreas Mölzer (47), kort na zijn benoeming tot Kulturkonsulent van Jörg Haider in Karinthië weten. Kunst moet genoeg geld opbrengen om de kunstenaar in leven te houden. Is dat niet het geval dan is er iets mis met deze kunst. Kunstenaars die aan de behoeften van de bevolking voorbij gaan zijn overbodig en soms zelfs gevaarlijk. Ze kwetsen niet alleen de gevoelens van het volk maar beschadigen ook de reputatie van hun Heimat in het buitenland.

Mölzers visie op kunst is kort en krachtig. De vroegere chefideoloog van de FPÖ beslist nu als persoonlijk adviseur van Haider wat in de toekomst in Karinthië als kunst wordt beschouwd en welke kunstuitingen steun verdienen.

Kunst is voor Haiders extreem rechtse Freiheitlichen (FPÖ) van groot belang. Niet toevallig heeft Haider na zijn verkiezing tot gouverneur van Karinthië onderwijs en cultuur naar zich toe getrokken. In zijn boek Die Freiheit, die ich meine maakt Haider duidelijk waarom kunst en cultuur zo essentieel zijn – ze moeten een bolwerk vormen tegen hedendaagse bedreigingen. Een open maatschappij verlamt zichzelf, politiek moet op etnische principes zijn gebaseerd. Het verdrag van Maastricht en de Europese `eenheidsstaat' gaan niet samen met het bewaren van de eigen culturele identiteit. Wie haar prijs geeft, is geen patriot.

Dat is geen gering verwijt. In het partijprogramma van de FPÖ speelt het patriottisme waartoe iedereen verplicht is, een cruciale rol. Haider pleit voor een herwaardering van de liefde voor het eigen land, voor de eigen etnische groep en haar geschiedenis. Hij maakt duidelijk hoe hij de problemen wil oplossen: er moet een eind komen aan de huidige `hersenspoeling' die van kunst en onderwijs uitgaat. Het heersende linkse cultuurfascisme moet overwonnen worden. Een `waarden verdedigende Kulturkampf' is daarom noodzakelijk. De oude machtsstructuren in de kunstwereld moeten worden opgebroken en de autonomie van de kunstenaars moet versterkt worden door hen minder subsidie te geven. Geld maakt kunstenaars afhankelijk en daarmee komt de vrijheid van de kunst in acuut gevaar.

Onduidelijk blijft echter wat Haider onder kunst verstaat. Tijdens een tv-debat definieerde hij kunst als `expressief symbolisme' maar wat hij bedoelde legde hij niet uit. Ook de FPÖ-publicaties over kunst keren zich uitsluitend tegen iets, in de regel moderne kunstuitingen. Zo verweet de FPÖ het culturele platform Oberösterreich (KUPF) dat burgerlijk waarden als gezin, defensie, kerk, Heimat, prestatie, fatsoen en respect voor de wet bespot dat het gevaarlijke tijdsverschijnselen als drugs vergoelijkt en dat het multiculturele utopieën verkondigt. Weer wordt nauwkeurig opgesomd wat allemaal mis is met de moderne, gesubsidieerde kunst zonder er een eigen opvatting tegenover te stellen van wat kunst is of zou moeten zijn. Kennelijk is kunst volgens de FPÖ het tegendeel van wat er nu bestaat.

Zoektocht

Een herwaardering van de volkskunst is nodig, schrijft Andreas Mölzer regelmatig in zijn columns in het boulevard-blad Kronen-Zeitung. Maar hij laat zich er niet over uit of hij daarmee uitsluitend jodelen, volksdansen en het schilderen van het prachtige Oostenrijkse landschap bedoelt. Alleen zijn uitspraak dat kunst die aan het `nationale imago' voorbij gaat geen steun verdient, wijst in die richting. Een zoektocht naar kunstenaars die door de FPÖ worden gewaardeerd is moeizaam en levert niet veel op. De jonge schilder Odin Wiesinger is een van de weinigen die wordt geprezen door FPÖ-kunstexperts, zoals de gepensioneerde leraar Walter Marinovic, oprichter van het Kulturforum Freie Kunst dat deel uit maakt van het wetenschappelijk instituut van de FPÖ. Wiesinger, die zijn voornaam Manfred inruilde voor die van de Germaanse god Odin, schildert in de echte Duitse traditie, aldus Marinovic. Wiesingers cyclus `Nibelungen' is `kunst in de ware, artistieke zin van het woord.' Siegfried, de held, wordt door een draak aangevallen maar onmiddellijk is duidelijk dat de `jongensachtige licht god' de strijd op leven en dood zal winnen. `Komt deze zekerheid voort uit klanken van Richard Wagners heldenmuziek die wij menen te horen als we naar het doek kijken?' vraagt Marinovic zich af. Bij Wiesinger heeft de leraar gevonden wat hij zocht - een kunstenaar die al met zijn naam naar de gewenste thema's verwijst: volk en Heimat, grasvelden en bomen, helden en goden. Dat een kunstenaar als Wiesinger het moeilijk heeft, was te verwachten, schrijft Marinovic. De linkse cultuurmaffia probeert hem dood te zwijgen, maar, zo meldt de leraar triomfantelijk, FPÖ-senator John Gudenus opende Wiesingers vernissage.

De Alldeutscher Jahrgothweiser, een kalender met oud-Duitse jaarindeling brengt Wiesingers Nibelungencyclus met een toelichtende tekst bij iedere afbeelding. De jonge Siegfried is het Duitse volk: naakt maar niet weerloos, want met het zwaard in de arm. Bij Siegfried, die de draak bij zijn gespleten tong pakt, moet vooral aan pers en media worden gedacht die met gespleten tong praten en vergif in het oor van het volk druppelen en Mime, de smid die probeert Siegfried te vermoorden, symboliseert de wraak van de minder begaafden op de begaafden.

Catastrofe

Schrijvers en dichters met een voorkeur voor extreem rechts zijn makkelijker te vinden, vooral omdat veel van de extreem-rechtse activisten zelf naar de pen grijpen. Ook Andreas Mölzer schreef, naast een aantal politieke boeken, gedichten en een roman. Zijn gedichtbundel heet Lob der Kälte. De dichter tobt met de neergang van dierbare waarden en zijn wanhoop baant zich in de regel op gewelddadige manier een weg naar buiten. Als dichter verkiest Mölzer kilte en dood boven een onwaardig leven. Nog veel gewelddadiger is zijn roman Der Graue. Eine apokalyptische Erzählung. Een eenzame man, de Grijze genoemd, trekt twintig jaar na de ultieme catastrofe – de aarde is door atoombommen verwoest – met zijn paard door de wereld die door de beulen van IG Metall wordt beheerst. Dat Mölzer de beulen de naam van de Duitse vakbond IG Metall geeft, is opmerkelijk. Naast de hordes mannen duiken in Mölzers roman ook enkele vrouwen op. Uiteindelijk loopt het met hen slecht af: de goeden worden meteen vermoord, de slechten eerst verkracht. Bij Mölzer horen gewelddadigheid en begeren bij elkaar.

Mölzer is een machtig man binnen de FPÖ. Hij was het hoofd van het wetenschappelijk instituut van de partij, hoofdredacteur van het extreem rechtse maandblad Aula dat door de Oostenrijkse Verfassungsschutz, (Binnenlandse Veiligheidsdienst) wordt geobserveerd, hoofdredacteur van het Duitse weekblad Junge Freiheit waarover de Duitse Verfassungsschutz meldt dat het blad naar `culturele hegemonie streeft en een platvorm voor rechtsextreme publicaties vormt' en is nu, behalve adviseur van Haider, hoofdredacteur van het extreem rechtse weekblad Zur Zeit. Zowel in Aula als in Zur Zeit worden regelmatig artikelen gepubliceerd die de holocaust bagatelliseren. Op het ogenblik loopt een gerechtelijk vooronderzoek tegen Mölzer omdat Zur Zeit in juni vorig jaar een recensie publiceerde waarin de schrijver, Hans Gamlich, Hitler een `grote sociaal-revolutionair' noemde en Churchill de schuld van de Tweede Wereldoorlog gaf. De holocaust noemde Gamlich `mythe' of `dogma'. Mölzer trad tijdelijk terug als hoofdredacteur maar heeft zijn functie inmiddels weer hervat. Toen Haider werd aangesproken op het onderzoek tegen zijn persoonlijk adviseur zei hij dat justitie beter achter kinderverkrachters aan kon gaan dan zich met zulke marginale thema's bezig te houden.

Mölzer is nu bijna een jaar Haiders adviseur. Artistieke projecten die hem mishagen blijven van hun door de vorige regering goedgekeurde subsidies verstoken omdat `het geld al op was'. Voor een grote Bühne aan de Wörthersee wist Mölzer wel geld vrij te maken. De eerste plannen om operettes als Im weissen Rössl op te voeren werden echter met zo veel spot onthaald dat Mölzer zijn plannen veranderde. Het theater kwam er, maar in plaats van operettes worden musicals opgevoerd. Een campagne tegen de door de FPÖ verafschuwde kunstenaar Cornelis Kolig maakt de kunstenaar het leven moeilijk. Kolig werd zelfs voor kinderverkrachter uitgemaakt. Hij is de zoon van een schilder wiens fresco's in het deelstaat-parlement van Karinthië door de nazi's zijn vernield. Een jury van curatoren en museumdirecteuren moest beslissen wie voor nieuwe kunst in het parlement zou zorgen. De jury wees Koligs zoon aan. De FPÖ accepteerde het unanieme besluit niet, dreigde met een referendum en organiseerde met behulp van de Kronen-Zeitung een hetze tegen Kolig. De installatie die Kolig voor het parlement maakte, toont de naakte benen en het geslacht van een man, het bovenlichaam is een weegschaal. Volgens Kolig hebben FPÖ en Kronen Zeitung zijn kunstwerk juist geïnterpreteerd: in het beeld wordt de last van het bruine verleden gesymboliseerd. Toen Kolig in december 1998 op eigen initiatief zijn kunstwerk veranderde en links en rechts een emmer toevoegde, werd anoniem aangifte gedaan wegens `vernieling'. Wat Kronen-Zeitung en FPÖ razend maakte was dat Koligs emmers koperkleurig waren, waarmee Kolig volgens zijn tegenstanders de suggestie wekte dat hij Oostenrijks bruine verleden door uitwerpselen symboliseerde.

Kolig heeft er naar eigen zeggen nooit aan gedacht om uit Karinthië weg te gaan. Hij citeert zijn collega Alfred Hrdlicka die zei dat voor een kunstenaar een totalitair regime een vruchtbaar klimaat schept: `het voortdurende verzet maakt creatieve energie vrij.'