Knokken, pizza en speren met spek

Vergilius' heldendicht over Aeneas, die na de val van Troje naar Italië zwerft en daar Rome sticht, geldt als een meesterwerk uit de klassieke canon. Nu is er een nieuwe vertaling in verzen. Maar hoe lees je dit Latijnse epos tweeduizend jaar later, met ogen die zijn gaan staan naar digitale helden en soapseries? Het blijkt te kunnen.

Er was eens, lang geleden, een oorlog. Het was een oorlog tussen Grieken en Trojanen, met als aanleiding en inzet Helena. De strijd werd uitgevochten voor de muren van Troje, ergens op de westkust van Klein-Azië. Pas na tien jaren werd de stad veroverd, door de list met het grote houten paard, waarna de Griekse overwinnaars zich huiswaarts begaven. Onder hen was Odysseus, die toen nog niet wist dat hem na tien jaren van oorlog nog eens tien jaren van omzwervingen te wachten stonden. Zijn tocht bracht hem onder meer op het eiland van de Cyclopen: eenogige reuzen, groot en sterk, niet al te intelligent, maar helaas wel dol op mensenvlees. Een groepje Grieken raakte in de grot van een van deze menseneters opgesloten. Sommigen werden door de reus verorberd, maar de rest wist op tijd te ontsnappen, door een list van Odysseus, zoals na te lezen valt in het negende boek van de Odyssee.

Wat de Odyssee-lezer niet weet, is dat er bij deze ontsnappingsoperatie toen ongewild en ongemerkt één man op het eiland achterbleef. Niet zozeer vermist, als wel eenvoudigweg over het hoofd gezien. Eenzaam en alleen moest hij zien te overleven, gedwongen zich schuil te houden voor de ongeveer honderd Cyclopen die het eiland bewoonden. Deze naamloze Griek komt aan het woord in een gedicht van Willem Jan Otten uit zijn bundel Na de nachttrein (1988). Droevig vertelt de man daarin dat hij alles heeft meegemaakt, van het beleg van Troje en de val van de stad tot en met de terugreis, althans de helft daarvan. Hij beklaagt zich erover dat Homerus hem nergens noemt. Hij is zonder naam gebleven, verdwenen, zoekgeraakt, eruit gevallen, `als een speld de hooiberg van het epos uit.' Zo werd hij veroordeeld tot het leven van een anonieme schipbreukeling op een onbewoond en gevaarlijk eiland.

Totdat er, vele eeuwen later, eindelijk redding daagt: aan de horizon verschijnen `de zeilen van een nieuw gedicht'. Achthonderd jaar na de Odyssee komt er een nieuw epos aangevaren. Blijkbaar heeft Vergilius hem opgemerkt. Hij laat Aeneas landen op de kust en hij laat de achtergebleven Griek het strand op rennen en zich bekend maken en zijn verhaal doen, zodat de lezers van de Aeneis alsnog, eeuwen later en in een andere taal, kunnen horen wat er indertijd is voorgevallen. De achtergeblevene blijkt Achaemenides te heten. Aeneas en de zijnen zijn zo nobel om de voormalige vijand mee te nemen, tot diens grote vreugde en opluchting. En zo stapt het ene epos bij het andere aan boord, vol goede moed. Herboren roei ik mee, de regels op, laat Otten hem denken, maar daarmee is zijn rol ook meteen weer uitgespeeld. In het hele epos van Vergilius komt hij daarna niet meer voor. Dat zou ons opnieuw deemoedig moeten stemmen, en zo lijkt Otten het geval Achaemenides ook uit te willen leggen: `Versvoet zijn we, nooit de hele zin,/ we zijn zolang de tocht ons hebben kan.' Maar tegelijk is het aardige dat Otten deze onbeduidende verhaalfiguur, na zijn eerste wonderbaarlijke wederopstanding, nu, na nog weer eens twintig eeuwen, dan toch maar weer opnieuw aan de vergetelheid heeft ontrukt.

Mooi verhaal, mooi gegeven, mooi gedicht. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er hier door Otten, en door mij in mijn navertelling, doelbewust een chronologische vertekening is aangebracht. Het drama van Ottens gedicht schuilt in het gevoel van eeuwenlange afzondering, maar in werkelijkheid, en ook in de mythe, kan Achaemenides natuurlijk nooit zo lang alleen zijn geweest. Wie de passage bij Vergilius (Aeneis, boek III, vers 588 en verder) erop naslaat ziet dat er maar drie maanden zijn verstreken sinds Odysseus en zijn makkers bij de Cyclopen wegvoeren. `Drie keer is de sikkel van het maanlicht vol geworden' zegt Achaemenides. Dat relativeert het armzalige lot van de Griek enigszins – maar het wees mij tegelijk ook, en voor mijn gevoel voor het eerst, op de vreemde omstandigheid dat Odysseus en Aeneas dus op hetzelfde moment op de Middellandse Zee rondgevaren moeten hebben. Dat was mij voorzover ik mij herinner nooit verteld, en blijkbaar had ik het zelf ook nooit bedacht – terwijl het toch nogal wiedes was. Na de val van Troje moeten Aeneas en Odysseus immers niet lang na elkaar op weg zijn gegaan, de een naar een nieuwe elders nog te stichten stad en de ander naar huis, naar Ithaka. Ze hadden elkaar bij wijze van spreken kunnen inhalen, toevallig in dezelfde haven kunnen aanleggen of bij elkaar aan boord kunnen stappen.

Dat ik toch nooit geneigd ben geweest de grote Griekse en de grote Trojaans-Romeinse held als tijdgenoten te zien, komt door de wetenschap dat er een grote kloof gaapt tussen de epen waarin hun avonturen staan opgetekend: acht eeuwen, twee verschillende talen en ook nog eens twee verschillende culturen. En hun gelijktijdigheid verdraagt zich ook slecht met de nadrukkelijke schatplicht van de ene eposschrijver aan de andere: Vergilius wilde Homerus navolgen en de Romeinen van een soortgelijk heldendicht voorzien. En zoals het ene epos de vervulling van het andere moest zijn, zo moest ook het heden (de bloei van Rome) als het ware de logische vervulling zijn van wat ooit, in een ver verleden (de val van Troje) was voorgevallen. In zo'n schema van opeenvolging past het gelijktijdig en ook nog eens op vrijwel dezelfde plek ronddobberen van Odysseus en Aeneas niet zo goed.

Denk ik aan de Aeneis, dan denk ik eigenlijk nooit aan de figuur Aeneas of aan de tienduizend aan zijn lotgevallen gewijde hexameters, maar eerlijk gezegd eerder aan deze tussen de regels gevallen Griek, eeuwen later opgevist uit een achterafpassage en nu alsnog in een gedicht van 22 regels ondergebracht. Dat komt denk ik omdat ik me wel met hem verwant voel: net als hij overgeleverd aan de grillen van onzichtbare epenschrijvers. Hij is het symbool voor mijn onwetendheid en voor mijn onbekendheid met dit epos, en met de klassieken in het algemeen. Ze zijn er wel, de klassieken, maar alleen in een afgeleide vorm, van horen zeggen, in fragmenten of, zoals hier, gezien door de ogen van een hedendaagse dichter. De klassieke bron zelf wordt niet meer geraadpleegd.

Want wat weet ik er eigenlijk van, van de Aeneis? Er was iets met een houten paard, en Griekse mannen in de buik, en een list, maar waarom haalden de Trojanen dat gevaarte in vredesnaam binnen hun stadsmuren? Aeneas ging met zijn vader op de rug en zijn zoontje aan de hand en zijn vrouw achter hem door de brandende stad, maar wie was zijn moeder, en waar was zíj toen? Hoe oud was Aeneas zelf eigenlijk? Hoe zag hij eruit? Wat deed hij voor de kost voordat hij bij de verdediging van Troje werd ingeschakeld? En hoe loopt het met hem af?

Er is maar één manier om deze vragen te beantwoorden: door de Aeneis maar eens te gaan lezen. Dat kon al heel lang, in de vertaling van Vondel bijvoorbeeld, of in die van Schwartz (1959, proza) of van Van Wilderode (1973). Piet Schrijvers kwam in 1996 met een nieuwe vertaling, en toen verschenen er ook deelvertalingen van Henk Schoonhoven en Gerard Koolschijn. Sinds kort is er de nieuwe vertaling van M. d'Hane-Scheltema, onder de titel Het verhaal van Aeneas. Zij koos, net als in haar succesvolle vertaling van Ovidius' Metamorphosen, voor `de verlengde alexandrijn', dat is de versregel met zeven jamben, als Nederlandse pendant van de Latijnse hexameter (met zes dactylen). Daarmee hoopte zij naar eigen zeggen `een vlotte verteltoon' te bereiken, `bijna poëtisch proza dus, maar dan wel metrisch' en tegelijk hoopte zij `met modern Nederlands het idee van een klassiek epos het best te benaderen.' Of dat laatste gelukt is, kan ik niet beoordelen, want ik weet niet wat `het idee van een klassiek epos' is, hoe het Latijn van Vergilius voor Latijnse oren klonk, en hoe zijn timbre nu in het Nederlands zou moeten klinken. Ik kan alleen maar zeggen dat haar vertaling van begin tot eind levendig en vlot, verfrissend en afwisselend is, in een mooi soepel en helder, niet archaïsch en niet modieus Nederlands, nu eens tegen het dichterlijke aan met veel klankrijm en alliteratie, dan weer prozaïsch met veel korte zinnen.

Maar hoe overtuigend dan ook vertaald, inhoudelijk is het welbeschouwd een raar verhaal, dit verhaal van Aeneas. Het hangt om te beginnen zwaar uit het lood. De eerste boeken zijn geweldig, met die storm op zee, het aanspoelen op de kust van Carthago, de terugblik van Aeneas op de val van Troje, de ontluikende liefde tussen Aeneas en Dido en het dramatische einde ervan: als Aeneas zich toch geroepen voelt zijn goddelijke opdracht uit te voeren en wegzeilt om elders een stad te gaan stichten, terwijl de wanhopige Dido zelfmoord pleegt. Dan zijn we nog maar aan het eind van boek vier en hebben we nog acht boeken voor de boeg – maar zo meeslepend als die eerste vier wordt het epos daarna niet meer. Hoe je het ook wendt of keert: het zakt in. Eerst al eens in het vijfde boek, waarin aanvankelijk veel plaats wordt ingeruimd voor de beschrijving van een zeilwedstrijd, en daarna ook nog eens voor de beschrijving van de prijsuitreiking. Moet kunnen. Maar daarna volgen nog, en al even uitgebreid: een hardloopwedstrijd, opnieuw een prijsuitreiking, een bokswedstrijd, een schietwedstrijd, en dan ook nog eens een soort ruiterdefilé voor de jeugd. Interessant allemaal, en beeldend beschreven, maar funest voor de voortgang van het verhaal. Daarna volgt, in boek zes, eerst nog de tocht van Aeneas naar de onderwereld, waar hem van alles wordt voorspeld over zijn nog te stichten stad, maar ook daarna wil er geen schot meer in de zaak komen.

Wie, zoals ik, had gedacht dat Aeneas met tal van vijandige stammen, zich dapper werende kleine dorpjes, wilde dieren, monsters, noodweer, dwaalsporen en godenrampen zou hebben af te rekenen alvorens als een haas de nodige tempels, stadsmuren, huizen, marktpleinen, wegen, landerijen en onneembare forten uit de grond te stampen, om vervolgens roem en rijkdom voor Rome te vergaren en daarna alle lof te gunnen aan keizer Augustus, komt bedrogen uit. Er is alleen maar een conflict tussen Trojanen en Latijnen en dan ook nog wat halfhartig, want van de koning van de Latijnen had Aeneas ook wel zónder oorlog met zijn dochter mogen trouwen. Maar volgens de regels moet er een duel komen tussen de beide leiders, Aeneas en Turnus, om de beslissing te brengen. En als dat duel dan eindelijk plaatsvindt en weinig verrassend door Aeneas wordt gewonnen, is de Aeneis ook meteen uit: midden op het slagveld, met een laatste adem uitblazende Turnus.

De rest moet men er zelf maar bij verzinnen, al moet gezegd dat de dichter voor deze toekomstfantasieën al veel stof heeft aangedragen, door middel van allerlei voorspellingen, dromen en voorafbeeldingen op het schild van Aeneas – die hij zelf nog niet begrijpen kan, maar de lezers wel. Dit spel met de tijd en met het perspectief en ook de vele listige verwijzingen naar en echo's van de epen van Homerus tillen het verhaal uit boven het niveau van een wat slome knokroman. De grote lijn in het tweede deel stelde mij wat teleur, maar daar staat tegenover dat er in onderdelen des te meer valt te beleven en trouwens ook te leren. Nooit geweten dat men voor het gevecht speren met spek insmeerde, bijvoorbeeld. Interessant om te lezen hoe zo'n bliksemgod dat nou doet: een bliksem smeden. En hoe en waar de god van de winden zijn voorraad wind op peil houdt. Ook nooit geweten dat er een godin van het krijgsgeschreeuw bestond, en een godin van de huisvlijt. Tussen de bedrijven door lezen we hoe de pizza werd uitgevonden, over hoe een god en een godin de liefde met elkaar bedrijven en over de paradijselijke kinderboerderij van de Elyseïsche velden, terwijl men zijn geografische kennis kan ophalen met het thuisbrengen van allerlei volkeren en stammen, zoals daar zijn de Oenotriërs, de Volsciërs, de Pelasgen en de Dolopiërs (of Dolopen).

Mooie namen, gekke weetjes, kleurrijke beschrijvingen – daar moet dit epos het eerder van hebben dan van de karakters, de gevoelens, de wijze lessen of de religieuze moraal. Hoe de Aeneis te omschrijven? Het heeft iets van een verzameling sprookjes, of van een soapserie, een spannend jongensboek of een grote avonturenroman, maar toch nog het meest van een James Bond-film. Er zijn een paar ijzersterke ingrediënten aanwezig. Een held met een missie, uitgezonden door de geheime dienst van de goden. De openingsscène is goed: man met vader op zijn rug en zoontje aan zijn hand door de rokende puinhopen van de stad. Mysterieuze verdwijning van zijn vrouw, wat ook meteen weer een vrijbrief is voor een hartstochtelijke verhouding met een buitenlandse koningin. Sterk dramatisch element: liefdesverdriet, koningin pleegt zelfmoord. De held kijkt de andere kant op en knippert niet met zijn ogen. Verder: noodweerscènes, veel gevechten, veel miraculeuze ontsnappingen.

De Aeneis geldt als een verheven, vreedzaam en edel epos, maar voor de goede zaak (de stichting van Rome, het Romeinse wereldrijk) mag er heel wat bloed vloeien. Dat wordt dan ook nog likkebaardend beschreven in tientallen passages over gekloofde schedels, in het rond spattende, vaak nog `lauwwarme' hersenen, en zwaarden die tot aan de keel in de vijand verdwijnen. Daar staan dan opmerkelijk genoeg veel huilscènes tegenover. `Tranen' moet een van de meest voorkomende woorden in de Aeneis zijn. Op bijna elke bladzijde breekt wel iemand (m/v) in tranen uit, al maakt dat op den duur natuurlijk niet al te veel indruk meer. Het zijn plichtmatige, retorische tranen van mythologische figuren die het niet van hun psychologische betrouwbaarheid moeten hebben, maar van hun archetypische betekenis.

Als er al een les uit dit epos te halen zou zijn, dan is het wel deze: het leven is een en al list, vermomming, schijn en bedrog. En iedereen geeft zich er aan over, van Grieken tot Trojanen, van gewone sterveling tot halfgod, van Dido tot Aeneas, van hoog tot laag en van goed tot slecht. Iedereen bedriegt iedereen, niemand is te vertrouwen, en daaronder gaat uiteindelijk deze wet schuil: de mens is een speelbal van de goden. Hij is het slachtoffer van onvoorspelbare goddelijke ruzies en van de volslagen willekeur daarboven, die in tautologische formules wordt gevangen. Dan heet het dat wij `de zeilen naar de koers van ons lot moeten zetten' en dat `het fatum de weg wijst'. Zelfs Aeneas wordt de ene keer wel, de andere keer niet bijgestaan in zijn goddelijke missie. Het is welbeschouwd volkomen onduidelijk waarom hij zoveel tegenslag moet ondervinden, en waarom er in naam van de toekomst zoveel bloed vergoten moet worden, terwijl toch al vanaf het begin bekend is dat hij Rome gaat stichten.

Ergens halverwege het epos gaf ik het op, en probeerde ik mij niet langer in eventuele beweegredenen of mogelijke bedoelingen te verdiepen. Die vielen toch niet te doorgronden, althans niet voor mij. Dus liet ik mij maar meedrijven op de golven van het verhaal, met geen andere bedoeling dan onderweg nog zoveel mogelijk te genieten van wat zich aan prachtige regels, beelden, vergelijkingen en passages voordeed. Dat is geloof ik nog wel het grootste mirakel van dit rare boek: dat er ondanks alles zoveel moois in te ontdekken valt. Het gaat dan om poëzie in haar meest elementaire vorm: het mooie woord, het juiste adjectief, het sprekende beeld, de simpele kracht van de herhaling, zoals bij de epitheta en de vaste wendingen waarmee het vallen van de avond of het opkomen van de zon wordt begeleid. Al die liefdevolle aandacht voor het scheepgaan en van wal steken van de boten, al die uitvoerige beschrijvingen van de offerrituelen en al die vanzelfsprekende regels over hoe de winden waaien: daarin schuilt veel schoonheid op zichzelf. Net als in de tientallen uitgebreide (`homerische') vergelijkingen, waarin via de omweg van het natuurbeeld hetzelfde nog eens, maar dan pregnanter wordt gezegd. En verder zijn er heel wat passages die zich goed uit het grote geheel laten lichten en als zelfstandige gedichten te lezen zijn. Natuurlijk de bekende, zoals de nog altijd verbijsterende truc met het paard van Troje, of het liefdesverdriet van Dido, of de dramatische ontmoeting tussen Dido en Aeneas in de onderwereld. Maar ook de minder bekende, zoals de sarcastische monoloog van Numanus, een Latijnse snoever, gericht tot de in zijn ogen slappe en verwijfde Trojanen, of de ontroerende geschiedenis van de twee boezemvrienden Euryalus en Nisus, of het innemende portret van de amazone Camilla, de Lara Croft van dit epos. En ook de vrijwel onbekende passages, zoals die over de arme, door zijn makkers over het hoofd geziene Achaemenides.

In het epos en de bedoeling ervan gelooft niemand meer, maar al bloemlezend, op de wijze van Otten bijvoorbeeld, valt er door iedere lezer uit deze tienduizend versregels een prachtige poëziebundel samen te stellen. Honderd verzen, of meer, in de levendige vertaling van M. d'Hane-Scheltema, niet onder de titel Het verhaal van Aeneas, maar Het verhaal van Achaemenides en andere gedichten, bijvoorbeeld.

Vergilius: Het verhaal van Aeneas. Vertaald en toegelicht door M. d'Hane-Scheltema. Athenaeum, Polak & Van Gennep, 368 blz. ƒ75,-