Jaloezie op een jeugdvriend

Een oudere man, Otto Sterkenburg, zit voor de tv te drinken, de ene fles na de andere. Zijn kamer is een chaos en zo ziet ook zijn voorbije leven eruit. Als zoon van kleine middenstanders heeft hij zich moeizaam opgewerkt tot germanist, gepromoveerd op de poëzie van Clemens Brentano. Zijn vrouw zit in het gekkenhuis, hij heeft een affaire gehad met een studente, en daarvóór deelde hij het bed met zijn hospita, over wie we lezen: `Haar vlezige gezicht begon te fluoresceren als een plak ham die te lang in de koelkast heeft gelegen'. Als Otto ook nog vervuld blijkt van zelfhaat en jaloezie jegens zijn jeugdvriend, de beroemde schrijver Arthur Kerckaert, en als zijn woonplaats verdacht veel aan Haarlem doet denken, dan is twijfel uitgesloten: dit is de nieuwe roman van Louis Ferron.

Met soortgelijke ingrediënten heeft Ferron al heel wat romans geschreven. De oefenaar belooft een zoveelste herhalingsoefening te worden, maar dat blijkt na het eerste deel (de roman bestaat uit drie delen) mee te vallen. Want Otto Sterkenburg wil nog maar één ding: hij wil `naar huis'. Daarmee bedoelt hij niet zijn ouderlijk huis; het beoogde `thuis' blijkt in Duitsland te liggen, bij Ferron evenmin een verrassende bestemming, maar de omstandigheden zijn ditmaal niet als vanouds.

Het loont de moeite op de namen van de bijfiguren te letten. Otto's jongere zuster heet Betty, zijn vrouw Sophie Meerau, de studente met wie hij een affaire heeft gehad Guusje Breede. Wie een beetje thuis is in de biografie van Brentano, zal nu een licht opgaan. De jongere zus van Brentano heette Bettina, zijn in het kraambed gestorven vrouw Sophie Mereau, en een van zijn andere geliefden Auguste Bussmann. In de lotgevallen van Otto heeft Ferron de levensgeschiedenis van de Duitse romantische dichter nog eens dunnetjes overgedaan.

Dan moet Arthur Kerckaert uiteraard Achim von Arnim zijn, de vriend met wie Brentano in 1806 Des Knaben Wunderhorn publiceerde. Arthur wordt, heel anders dan Otto, voorgesteld als een superieure geest van goede komaf, die over zichzelf opmerkt: `De hemel is ons soort mensen op aarde al in de schoot geworpen'. Op vergelijkbare manier bestond er een verschil tussen de koopmanszoon Brentano en de Pruisische edelman Arnim die met Brentano's zuster Bettina was getrouwd, net zoals Arthur is gaan samenwonen met Otto's zus Betty.

Eén aspect van Brentano's leven is nog buiten beschouwing gebleven: zijn terugkeer naar het katholicisme in 1817 en zijn betrokkenheid bij de mystieke non Anna Katherina Emmerick, gezegend met stigmata en visioenen die door Brentano zijn geboekstaafd. In zijn Brentano-studie had Otto dit aspect altijd zorgvuldig vermeden, in de overtuiging dat het om een vorm van `waanzin' ging die niet tot Brentano's dichterschap behoorde. Nu zijn eigen leven in duigen ligt, begint hij daar anders over te denken. De terugkeer naar `huis' voert dan ook naar het Duitse Dülmen, waar Brentano ooit zijn mystieke non had getroffen, en naar een troebel Jenseits waar erotiek en religie met elkaar samenvallen.

In het tweede deel van de roman voert Ferron de politie-inspecteur Bodde ten tonele, die onderzoek doet naar de raadselachtige verdwijning van de pastoraal werkster Luise Hensel. Ook zij komt voor in Brentano's biografie, als de `bigotte dichteres' die Brentano weer op het katholieke spoor heeft gebracht, terwijl Bodde zelf de eigentijdse pendant blijkt te zijn van de hoogleraar die destijds de stigmata van Anna Katherina Emmerick onderzocht. Heden en verleden lopen op een verwarrende manier door elkaar, want vóór haar verdwijning heeft Luise Hensel uitvoerig contact gehad met Otto. Om de verwarring compleet te maken eindigt Otto op dezelfde manier als de mystieke non: hij zweet bloed en vertoont stigmata, nadat hij op last van Bodde is opgenomen in een gevangenishospitaal.

De vraag blijft alleen: wat heeft dit merkwaardige spel met de twee in elkaar gevlochten levensgeschiedenissen te betekenen? Dat het iets met werkelijkheid en verbeelding te maken heeft, zal duidelijk zijn. Maar wat precies? De sleutel lijkt te worden verschaft door Otto's jeugdvriend Arthur, die in het derde deel de hoofdrol krijgt. Van hem wordt gesuggereerd dat hij degene is die eigenlijk aan de touwtjes trekt, alsof Otto en de overige personages niet meer zijn dan personages in een door hem geschreven roman. Niet toevallig luidt een van de titels uit Arthurs oeuvre ook De oefenaar.

In werkelijkheid berust alles natuurlijk op een arrangement van Louis Ferron. Waarom dicht hij Arthur zo'n welhaast godgelijk vermogen toe?

Binnen de biografie van Brentano komt Arthur overeen met Achim von Arnim. Maar zien we wat er allemaal over Arthurs schrijverschap wordt gezegd, dan dient zich ook een andere kandidaat aan. Op de tv horen we hem oreren over `een soort parallellie van de tegendelen', hij heeft in binnen- en buitenland naam gemaakt met romans vol apocalyptische beelden en getallenmystiek, en zelf beschouwt hij zich eveneens als een godheid die het leven van zijn vriend regisseert. Ik moet me wel sterk vergissen of Ferron heeft Arthur enkele trekken meegegeven van zijn beroemde stadgenoot Harry Mulisch, die net als Arthur al vroeg de wijk heeft genomen naar Amsterdam.

Daardoor komt de jaloezie die Otto jegens Arthur zegt te koesteren, opeens in een ander licht te staan. Met De oefenaar heeft Ferron een roman geschreven waarin hij probeert Mulisch' schrijverschap, dat op superieure wijze raadselachtigheid en beheersing combineert, naar de kroon te steken – door het te confronteren met een raadsel waarop de regie van de schrijver geen greep meer heeft. Otto's bloederige verlossing, een bizarre mengeling van mystiek en kruisiging (dit laatste letterlijk, want Otto heeft zich al dan niet met opzet gecastreerd), speelt zich af in een ongrijpbaar domein, waar het literaire woord geen zeggingskracht heeft. Alleen het woord van de `oefenaar', oorspronkelijk een protestantse voorganger die bij Ferron een katholieke mysticus is geworden, kan daar nog de toegang forceren, zij 't buiten de pagina's van het boek.

Zo hecht en sluitend als Mulisch zijn literaire raadsels pleegt te construeren, is Ferron niet te werk gegaan, getuige de vele open plekken en losse eindjes in De oefenaar. Maar daar valt moeilijk bezwaar tegen te maken. Juist door zijn roman `onvolmaakt' te laten, demonstreert Ferron ter plekke wat hij op Mulisch' manier van schrijven tegen heeft. Had hij een volmaakt kloppend boek à la Mulisch geschreven, dan was hij door zijn eigen dubbele bodem gevallen. Nu kan hij de schrijver van het Boekenweekgeschenk grijnzend in de ogen zien, zelfs met de tv aan en een fles in de hand.

Nederlandse literatuur

Louis Ferron: De oefenaar. De Bezige Bij. 284 blz. ƒ34,90