In het begin waren de genen

In onderzoek naar genetica beleven we nu een van de grootste intellectuele revoluties van de geschiedenis. Wetenschapsjournalist Matt Ridley beschreef de ontwikkelingen in 23 thema`s, precies evenveel als de mens chomosomen heeft.

Hij moet een intrigerende man zijn geweest, Erasmus Darwin, de grootvader van Charles. Als eerste poneerde hij de stelling van een gemeenschappelijke afstamming van het leven op aarde, ruim voordat zijn kleinzoon dat idee op onnavolgbare wijze zou uitwerken in The Origin of Species. Veel minder bekend is dat Erasmus Darwin ook als eerste het vermoeden uitsprak dat `eenzelfde soort levende draden aan de basis ligt van al het leven op aarde.' Ook daarin had hij het bij het rechte eind.

Het boek van het leven is immers geschreven in de taal van het DNA, de wenteltrap van de erfelijkheid. Onderzoekers hebben die taal ontcijferd en begrijpen zo wat het molecuul ons te vertellen heeft. Binnenkort zal zelfs de volledige genetische code van de mens beschikbaar komen en hoewel moleculair-biologen vervolgens nog wel even bezig zullen zijn om de volledige betekenis ervan te ontrafelen, zijn we toch nu al getuige van een van de grootste intellectuele revoluties in de geschiedenis van de mensheid.

Intelligentie, agressie, het eeuwige leven, het zit allemaal in de genen. Dat besef is inmiddels ook buiten de vakwetenschappen ruimschoots doorgedrongen. Wie de bijlagen van kranten en weekbladen doorneemt, zal ontdekken dat je het tegenwoordig zo gek niet meer kunt bedenken of er is wel een genetische verklaring voor. Het enthousiasme is ongetwijfeld een reactie op de jaren zeventig toen de nature vs. nurture discussie naar de andere kant doorsloeg. Terwijl de Nederlandse criminoloog Buikhuisen in 1978 nog algemeen werd verketterd, vond onlangs in Amsterdam zonder enige ophef een congres plaats over de neuro-biologische factoren bij jeugdgeweld.

Toch lijkt er ook nu nauwelijks méér ruimte voor relativering dan destijds, als je tenminste afgaat op de populair-wetenschappelijke weergaven van het nieuwste genetisch onderzoek. In september vorig jaar haalde bijvoorbeeld een vermeend `IQ-gen' nog het omslag van het Amerikaanse weekblad Time, zij het dan met een vraagteken. Het is een mooi voorbeeld van een doorgeschoten, bijna naïef wetenschappelijk reductionisme.

Primo Levi

De bekende Engelse wetenschapsjournalist Matt Ridley doet in Genome dappere pogingen om niet in dezelfde val te trappen. Hij slaagt daar niet helemaal in, maar zijn grenzeloze enthousiasme heeft wel een boek opgeleverd dat uitsteekt boven de meeste andere op dit gebied.

Het is in de overvloed van populair-wetenschappelijke literatuur op dit gebied moeilijk om nog een originele invalshoek te vinden. Ridley koos voor de kapstok van de menselijke chromosomen. Daarvan zijn er 23 en hij bedacht dat het mogelijk moest zijn om op elk chromosoom een gen te vinden aan de hand waarvan hij een bepaald thema kon uitleggen of illustreren. Zo'n keurslijf kan verstikkend werken: waarom zouden er precies 23 interessante thema`s moeten zijn? Primo Levi deed iets dergelijks toen hij belangrijke gebeurtenissen uit zijn leven illustreerde aan de hand van steeds één element uit het scheikundig periodiek systeem. Hij pakte het alleen slimmer aan dan Ridley, omdat hij niet als eis stelde dat ze allemaal aan bod moesten komen.

Hoe moeilijk de opgave die Ridley zich stelde ook lijkt, toch is hij geslaagd in zijn opzet. Ik kon geen onderwerp bedenken dat hij ten onrechte had weggelaten en tijdens het lezen stak in geen enkel hoofdstuk het vermoeden de kop op dat een bepaald gen er, om het maar eens zo te zeggen, met de haren bij werd gesleept. Bovendien is het boek zo geschreven dat iedere belangstellende leek met een beetje voorkennis – waarvan het belangrijkste in de inleiding nog even op een rijtje wordt gezet – zich op een zeer onderhoudende manier op de hoogte kan stellen van de huidige stand van het genetisch onderzoek.

Dat onderzoek kon pas op gang komen toen Watson en Crick in 1953 de structuur van het DNA hadden ontrafeld. Sindsdien is een enorme vooruitgang geboekt: de code werd ontcijferd en de betekenis van tal van genen werd ontrafeld. Daarbij kwamen de onderzoekers elke keer weer voor verrassingen en raadsels te staan. Het menselijk genoom is namelijk niet `ontworpen', maar is als het ware – hier kan men voorlopig alleen maar in metaforen spreken – een boek dat zichzelf heeft geschreven. Op gezette tijden worden er stukken toegevoegd of weggehaald en voortdurend worden er kleine veranderingen aangebracht.

Onzinteksten

Omdat daar geen enkel plan achter schuilt, is het er na vele miljoenen jaren allemaal niet helderder op geworden. Het menselijk genoom is bijvoorbeeld enorm vatbaar voor parasieten, een soort `computervirussen'. Betrekkelijk kleine stukjes genetische code, die alleen maar heel hard `roepen' dat ze gekopieerd willen worden. Het lichaam trapt daar in: 35 procent van het menselijk genetisch materiaal bestaat uit zinloze kopieën of `onzinteksten'.

Dat het zo'n chaos is, was misschien de grootste schok voor de onderzoekers die de afgelopen veertig jaar de genetische code hebben ontcijferd. De pure schoonheid die nog uitging van de `dubbele helix' van het DNA – de basis voor al het leven op aarde – werd ruw verstoord toen duidelijk werd hoe die code in de evolutie gebruikt is. Het is alsof je eindelijk de bijbel kunt ontcijferen, en dan ontdekt dat de tekst versnipperd is geraakt tussen pulpverhalen. En al die nonsens moet bij elke celdeling nog worden meegekopieerd ook.

Aan de andere kant kun je het genoom ook zien als de weergave van vier miljard jaar hard leren, van aanpassing aan de omstandigheden. Sommige genen delen we bijvoorbeeld met eencellige voorouders. Ze zijn essentieel voor een bepaalde functie en verdragen nauwelijks mutaties. Andere genen verschenen pas heel recent op het toneel, als resultaat van toevallige omstandigheden.

Om melk te verteren is bijvoorbeeld lactase nodig, een enzym dat suiker afbreekt. Het lactase-gen wordt daarom in het spijsverteringskanaal van een pasgeboren zoogdier `aangezet', om na een paar jaar weer te worden `uitgeschakeld'. Dat lijkt verstandig, omdat volwassen dieren geen melk meer drinken. Enkele duizenden jaren geleden echter ontdekte de mens de voordelen van het houden van vee: het probleem was vervolgens, dat kinderen de melk van het vee zomaar konden drinken, terwijl volwassenen bacteriën moesten inschakelen om eerst de suikers af te breken. Zij konden dus alleen de zo gevormde kaas eten. Dat is nogal omslachtig, dus het lag voor de hand dat het lactase-gen een mutatie onderging, waardoor het niet langer `uitgezet' werd bij volwassenen. En omdat die kleine verandering zoveel extra overlevingskansen bood, is de mutatie inmiddels gerealiseerd bij meer dan zeventig procent van de West-Europese bevolking. Niet iedereen was zo `gelukkig': in sommige delen van Afrika, Oceanië en Zuidoost-Azië kan nog altijd maar zo'n dertig procent van de volwassen bevolking op eigen kracht melk verteren.

Ridleys boek staat vol met dit soort wetenswaardigheden, soms maar een halve pagina lang. Ze zijn een feest om te lezen. Zo kom je alles te weten over het trieste lot van het Y-chromosoom, `een klein en bijna inert stukje genetische nabeschouwing', dat voortdurend blootstaat aan aanvallen van genen op het X-chromosoom. En wordt duidelijk waarom iemands positie in de hiërarchie op het werk een betere indicatie geeft van de kans op een hartaanval dan zwaarlijvigheid, roken of een hoge bloeddruk. Of waarom het verlagen van de cholesterolspiegel geweld en agressie in de hand werkt.

Slagveld

Het zijn stuk voor stuk prachtige voorbeelden van de resultaten van ingenieus wetenschappelijk speurwerk. Toch begint er tijdens het lezen iets te knagen. Dat komt omdat Ridley bij herhaling zijn afkeer laat blijken van al te simpele voorstellingen van zaken: genen veroorzaken geen ziektes, bijvoorbeeld, er is altijd sprake van op zijn minst een wisselwerking, enzovoorts. Wie zich zo vaak herhaalt, laadt de verdenking op zich eigenlijk van het – politiek misschien minder correcte – tegendeel overtuigd te zijn: genen veroorzaken wèl van alles. Vermoedelijk is dat ook zo. Iemand die over het lichaam schrijft als `het slagveld van de genen, het vehikel voor hun ambities', laat over zijn opvattingen weinig te raden over. Ridley doet daarmee precies datgene wat hij het liefst zou willen vermijden.

Is dat erg? Nee, het is zelfs wel charmant. Het is per slot van rekening veel plezieriger om iemand te lezen die ergens voor stáát, ook al wil hij dat zelf misschien niet weten. Genoom is een meeslepend, prikkelend en enthousiasmerend boek, en Ridley toont zich een waardig lid van de school van Richard Dawkins, zijn grote intellectuele voorganger. Het is wel goed je te realiseren dat er nog een andere kant aan het verhaal zit, een gezichtspunt dat door de Amerikaanse evolutionaire bioloog Stephen Jay Gould wordt verdedigd. In een bijtend commentaar in het nummer van Time veegt hij de vloer aan met het geloof in genetisch determinisme. Maar Ridley mag dan een vertegenwoordiger zijn van de door Gould zo verfoeide reductionisten, ik weet bijna zeker dat de bioloog desondanks bewondering heeft voor zijn enorme bekeringsijver.

Evolutie

Matt Ridley: Genoom. Het recept voor een mens. Vertaling Bart Voorzanger. Contact, 304 blz. ƒ69,90. (Genome. The Autobiography of a Species in 23 Chapters. Fourth Estate, 352 blz. ƒ75,60)