Houdt Hoos hier

Honderd en zeven prominenten uit de wereld van de filmarchivering, afkomstig uit drie en twintig landen, zonden onlangs een gezamenlijke brief aan staatssecretaris Van der Ploeg. Een groot aantal van de archivarissen nam de moeite om ook nog eens in eigen bewoordingen de loftrompet te steken over de baanbrekende verdiensten van het Filmmuseum onder leiding van directeur Hoos Blotkamp en adjunct-directeur Ruud Visschedijk. En om hun diepe zorg uit te spreken over het feit dat beiden nu ziek thuis zitten, na een conflict met het bestuur van het Filmmuseum over de toekomst van die instelling.

Van der Ploeg mag die brieven wel inlijsten, want zo vaak komt het niet voor dat een dergelijk illuster gezelschap een door de Nederlandse overheid gesubsidieerde culturele instelling publiekelijk de hemel in prijst. Het heeft iets van een grafrede, want het ziet er niet naar uit dat Blotkamp en Visschedijk ooit nog zullen terugkeren op hun post, waar twee interim-managers nu oefenen in reddend zwemmen. Los van de vraag hoe het verder moet met de Amsterdamse en Rotterdamse plannen voor een Beeldinstituut, lijkt het bestuur onder voorzitterschap van Dig Istha een fraai, internationaal toonaangevend instituut te hebben onthoofd, en dus vermoord.

De eerste vraag die zich aandient is hoe Blotkamp en Visschedijk erin geslaagd zijn om hun `internationale gidsfunctie', hun `rol van weergaloos belang en relevantie', kortom: de algemene mening dat het Filmmuseum het meest geavanceerde archiveringsbeleid ter wereld voerde, in eigen land zo goed geheim hebben weten te houden. Een enkele keer werd wel eens een persbericht rondgestuurd dat festivals van stille films in Pordenone en Bologna weer een aantal nieuwe conserveringen van het Filmmuseum vertoond hadden, maar erg bedreven in het exploiteren van hun reputatie waren de zieke directieleden niet bepaald.

De volgende vraag zou kunnen zijn wie van de ondertekenaars Blotkamp en Visschedijk na hun herstel en afvloeiingsregeling zal weten in te lijven. Een transfer naar Parijs, München of Hollywood ligt voor de hand.

Er wordt wel eens beweerd dat de gewoonte in Nederland om buitenlanders te benoemen op culturele sleutelposten, voortkomt uit de gedachte dat die hier nog geen vijanden hebben. Het logische vervolg op die praktijk lijkt nu te worden dat wie er, ondanks grote inhoudelijke verdiensten, niet in slaagt (politieke) vrienden te maken het land uit gejaagd wordt.

De moraal van het koningsdrama dat zich in het Vondelpark voltrokken heeft, is dat public relations de beslissende factor zijn geworden in het Nederlandse cultuurlandschap. Het heeft geen zin meer om te trachten dat tij te keren; het enige wat Van der Ploeg nog kan doen, is zich actief inspannen om Blotkamp en Visschedijk, en de kern van hun staf, in Nederland aan het werk te houden, desnoods in Rotterdam. Dat zou het einde betekenen van het huidige Filmmuseum: er schijnt al een notitie te circuleren die aanbeveelt de hele collectie maar aan het Nederlands Audiovisueel Archief over te doen. Bedankt bestuur, bedankt directie, voor uw wederzijdse halsstarrigheid! Toen Henri Langlois in 1968 ontslagen werd als directeur van de Cinémathèque, bezetten zijn cinefiele aanhangers het gebouw. De laatste en belangrijkste vraag is waarom dat in Nederland niet gebeurt.